Taalverzorging werkwoorden Deviant thema 4

Taalverzorging werkwoorden
Doel:
Je begrijpt wat zwakke en sterke werkwoorden zijn.
Je weet hoe je zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd moet schrijven.
1 / 19
next
Slide 1: Slide
NederlandsVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Taalverzorging werkwoorden
Doel:
Je begrijpt wat zwakke en sterke werkwoorden zijn.
Je weet hoe je zwakke en sterke werkwoorden in de verleden tijd moet schrijven.

Slide 1 - Slide

Wat weet je over
werkwoorden?

Slide 2 - Mind map

Wat is het verschil tussen een sterk en een zwak werkwoord?
- bij een zwak werkwoord verandert de klank NIET
- bij een sterk werkwoord verandert de klank WEL.

Slide 3 - Slide

Lopen
A
ik liep
B
ik liepte
C
ik loopte

Slide 4 - Quiz

Krassen
A
Ik kraasde
B
Ik kraaste
C
Ik kraste

Slide 5 - Quiz

Voelen
A
Ik voelte
B
Ik voelde
C
Ik vielde

Slide 6 - Quiz

Fietsen
A
Ik fietste
B
Ik fietstte
C
Ik fiets

Slide 7 - Quiz

Worden
A
Ik wordde
B
Ik worde
C
Ik werd

Slide 8 - Quiz

Zijn
A
Ik zijnde
B
Ik bende
C
Ik was

Slide 9 - Quiz

Zet de zin in verleden tijd:
De voordeur staat open.

Slide 10 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
Yassin kookt een lekkere maaltijd voor ons.

Slide 11 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
Ik speel graag tikkertje.

Slide 12 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
Rafke doet de afwas.

Slide 13 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
De hond vecht met andere honden.

Slide 14 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
We lopen netjes op voetpad.

Slide 15 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
Onze buurman zingt onder de douche.

Slide 16 - Open question

Zet de zin in verleden tijd:
Haar vader maakt altijd haar bed op.

Slide 17 - Open question

Weet je het nog?
Wel of geen sterk werkwoord?
Lopen
A
Ja
B
Nee

Slide 18 - Quiz

Weet je het nog?
Wel of geen sterk werkwoord?
Voelen
A
Nee
B
Ja

Slide 19 - Quiz