SPELLING VAN DE PERSOONSVORM IN
DE VERLEDEN TIJD
- je herkent zwakke en sterke werkwoorden
- je weet hoe je de persoonsvorm vindt
- je kunt de persoonsvorm in de vt goed spellen
This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes, text slides and 1 video.
WERKWOORDSPELLING
in de vorige les leerde je
- de persoonsvorm in de
tegenwoordige tijd goed schrijven
PERSOONSVORM
in de
VERLEDEN TIJD
ZWAKKE WERKWOORDEN
ZWAKKE en STERKE
werkwoorden
Wat is het verschil?
STERKE
hebben de KRACHT om in de verleden tijd van klank te veranderen
REGELS verleden tijd
bij sterke werkwoorden
In het enkelvoud: schrijf op zoals het klinkt
In het meervoud: schrijf op zoals het klinkt
VOORBEELD
STERKE WERKWOORDEN
kopen : ik koop - ik kocht
lopen : ik loop - ik liep
geven : wij geven - wij gaven
kruipen : zij kruipen - zij kropen
ZWAKKE
de klank blijft in de verleden tijd hetzelfde
bij zwakke werkwoorden
In het enkelvoud: stam + te / stam + de
In het meervoud: stam + ten / stam + den
- Vaak hoor je of je stam + te(n) of stam + de(n)
moet gebruiken
- Gebruik een ezelsbruggetje als je
het niet (zeker) weet