This lesson contains 55 slides, with interactive quizzes and text slides.
Lesson duration is: 50 min
Items in this lesson
zwakke werkwoorden
Slide 1 - Slide
Wat is een zwak werkwoord?
Nederlandse zwakke werkwoorden zijn vrijwel altijd ook in het Duits zwak
tegenwoordige en verleden tijd: geen klinkerverandering
Slide 2 - Slide
Na deze les ...
Heb je de regels voor het vervoegen van de zwakke werkwoorden op een rijtje.
Kan je met behulp van de regels de zwakke werkwoorden vervoegen
en weet je op welke bijzonderheden je moet letten.
Slide 3 - Slide
Zwakke werkwoorden ....
zijn regelmatig
worden volgens een vast schema vervoegd
hiervoor bestaat een ezelsbruggetje
dus je hoeft alleen deze regel te kennen en hoeft niet alle werkwoorden uit je hoofd te leren!
Slide 4 - Slide
Hoe maak je de stam van een werkwoord?
Slide 5 - Open question
Hoe krijg je de stam?
In het Duits krijg je de stam door van het hele werkwoord
de -en of -n (als er geen 'e' voor staat) weg te strepen
Voorbeelden: machen > mach; spielen > spiel; radeln > radel
Slide 6 - Slide
DUIDELIJK?
Laat eens zien of je dat kunt...
Slide 7 - Slide
Wat is de stam van "bestellen"
A
bestel
B
bestell
C
bestelle
D
beste
Slide 8 - Quiz
Wat is de stam van "bellen"
A
belle
B
bel
C
bellen
D
bell
Slide 9 - Quiz
Wat is de stam van "klettern"
A
klettern
B
kletter
C
kletteren
D
Klett
Slide 10 - Quiz
Wat is de stam van "gehen"
A
geh
B
gehe
C
gehen
D
gee
Slide 11 - Quiz
Wat is de stam van "regnen"
A
reg
B
regnen
C
regn
D
regne
Slide 12 - Quiz
Ok, dat ging goed!
Slide 13 - Slide
Zo, en nu de regel voor de uitgangen...
(net als smurfen of lopen)
Slide 14 - Slide
(FE)esttenten-Regel
Slide 15 - Slide
De (FE) E-ST-T-EN-T-EN - Regel
Voorbeeld: machen(= doen, maken)
(ik) ich mache (hij) du machst
(hij/zij/het) er/sie/es macht
(wij) wir machen
(jullie) ihr macht
(zij/u) sie/Sie machen
Slide 16 - Slide
Laat eens zien of je het snapt: vertaal 'hij speelt' spielen (= spelen)
A
er spielt
B
er spielst
C
du spielst
D
du spielt
Slide 17 - Quiz
Wat is volgens de regels de juiste vorm? Ich _____ gern in Düsseldorf.
A
wohne
B
wohnt
C
wohnst
D
wohnen
Slide 18 - Quiz
Vertaal: jullie kopen kaufen (= kopen)
A
ihr kauft
B
sie kauft
C
er kauft
D
du kauft
Slide 19 - Quiz
Welke twee vervoegingsvormen hebben het hele werkwoord?
A
er/sie/es + wir
B
ich + wir
C
er/sie/es + ihr
D
wir + sie/Sie
Slide 20 - Quiz
Der Hund (er) _________.
A
bellen
B
belle
C
bellt
D
belt
Slide 21 - Quiz
Mein Vater(er) ________ in Deutschland.
A
leben
B
lebst
C
lebe
D
lebt
Slide 22 - Quiz
Der Lehrer(er) ________ viel Sport.
A
machen
B
mache
C
machst
D
macht
Slide 23 - Quiz
Ihr _______ keine Hausaufgaben machen.
A
wollen
B
wollt
C
wolt
D
wolle
Slide 24 - Quiz
Frau Müller, ________ Sie zur Schule?
A
gehen
B
gehe
C
geh
D
gehst
Slide 25 - Quiz
Tom en Lina, wo _______ ihr?
A
wohnen
B
wohne
C
wohnt
D
wohn
Slide 26 - Quiz
Nog 1 klein puntje:
Als de stam op een 's'-klank eindigt (bijv. s, ss, ß, z):
dan komt er bij du alleen een 't' achter de stam
(Anders zou je twee keer een 's' hebben staan en dat had je waarschijnlijk automatisch al weggelaten, toch?)
Slide 27 - Slide
Hoe zeg je 'jij heet Thom'? heißen (= heten)
A
Er heißt Thom.
B
Du heißst Thom.
C
Du heißt Thom.
D
Er heißst Thom.
Slide 28 - Quiz
Lina, _______ du gerne?
A
tanzen
B
tanzst
C
tanzt
D
tanze
Slide 29 - Quiz
Tina, _________ du die Blumen?
A
giessen
B
giessst
C
giesst
D
giesse
Slide 30 - Quiz
Ich _______ einen Cocktail.
A
mixe
B
mixen
C
mixt
D
mixst
Slide 31 - Quiz
_____ du Jesse?
A
heißst
B
heißt
C
heißen
D
heiße
Slide 32 - Quiz
en nu 'jij danst'?
tanzen (= dansen)
A
du tanzest
B
du tanzst
C
du tanzt
Slide 33 - Quiz
Tot hier duidelijk?
kunnen jullie nog een uitzondering aan?
Slide 34 - Slide
Nog een laatste puntje:
stam eindigt op -d of -t
du, er/sie/es, ihr > krijgen een extra 'e'
(dan is het makkelijker uit te spreken!)
Slide 35 - Slide
Voorbeeld
reden (= praten)
ich red ewir red en
du red est ihr red et
er red et sie red en
sie red et Sie red en
es red et
Slide 36 - Slide
Er _____ in einem Supermarkt.
A
arbeitet
B
arbeiten
C
arbeitest
D
arbeite
Slide 37 - Quiz
Er ________ immer sehr viel.
A
rede
B
redet
C
reden
D
redt
Slide 38 - Quiz
Wir __________ der Lehrerin auf die Fragen.
A
antwortte
B
antworten
C
antworte
D
antwortest
Slide 39 - Quiz
Er _______ seinen Schlüssel nicht.
A
finden
B
findt
C
findet
D
findest
Slide 40 - Quiz
en nu alles door elkaar....
Slide 41 - Slide
______ ihr heute in die Schule?
A
Gehe
B
Geht
C
Gehen
D
Gehst
Slide 42 - Quiz
_______ ihr in Wemeldinge?
A
Wohnen
B
Wohnst
C
Wohnt
D
Wohn
Slide 43 - Quiz
Es _______ an der Tür.
A
klopfen
B
klopft
C
klopfet
D
klopfe
Slide 44 - Quiz
Mein Bruder (er) __________ zuviel.
A
reden
B
redest
C
redt
D
redet
Slide 45 - Quiz
Meine Mutter(sie) ________ sehr gut.
A
kochen
B
koche
C
kochet
D
kocht
Slide 46 - Quiz
Das Kind(es) _______ bei seiner Schwester.
A
wohne
B
wohnet
C
wohnt
D
wohnen
Slide 47 - Quiz
Luisa (sie) _______ sehr schön.
A
singt
B
singet
C
singen
D
singe
Slide 48 - Quiz
Du ________ Meier mit Nachnamen.
A
heiße
B
heißst
C
heißt
D
heißen
Slide 49 - Quiz
Der Barman (er) ________ gute Getränke.
A
mischen
B
mischt
C
mischst
D
mische
Slide 50 - Quiz
Vertaal 'jij rekent' rechnen (= rekenen)
A
du rechnst
B
du rechnest
C
er rechnt
D
er rechnet
Slide 51 - Quiz
En nog eentje: Vertaal 'jullie borstelen' bürsten (= borstelen)
A
ihr bürst
B
ihr bürstet
C
ihr bürtet
D
ihr bürsten
Slide 52 - Quiz
De regels op een rij:
Slide 53 - Slide
Kijk nu terug naar de lesdoelen:
Na deze les Ken je de regels voor het vervoegen van de zwakke werkwoorden. Kan je met behulp van de regels de zwakke werkwoorden vervoegen en weet je op welke bijzonderheden je moet letten.
Slide 54 - Slide
Heb je de lesdoelen behaald?
Je kunt deze les net zo lang bekijken tot je het snapt.