les 3 - 24 maart 2025

Aujourd'hui c'est lundi 24 mars
1 / 27
next
Slide 1: Slide
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Aujourd'hui c'est lundi 24 mars

Slide 1 - Slide

Présence
tout le monde est présent?

Slide 2 - Slide

au programme

  • écouter
  • les aventures d'Isabelle
  • les devoirs 

Slide 3 - Slide

Les buts
- Je kan een Frans leesboekje begrijpen. (A1)
- Je gaat luisteren naar een gesprek over gezondheid en je gaat oefenen met woorden die te maken hebben met gezondheid. (A2)

 
 

 


Slide 4 - Slide

Chapitre 5


Objectif Santé

Slide 5 - Slide

Chapitre 5 : Objectif santé
Leerdoelen/ les objectifs: 
  • je kan vertellen over je gezondheid
  • je kan vertellen dat je ziek bent
  • je kan vertellen hoe gezond je bent
  • je leert vocabulaire over gezondheid, lichaamsdelen, sport en eten
  • je kan de ontkenning gebruiken
  • je kan een vraag op verschillende manieren stellen

Slide 6 - Slide

exercice 4
Tu ne veux pas aller à l’école aujourd’hui. Donne deux excuses (originales) en français ou en néerlandais.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Slide 9 - Slide

  1. Waarom kan Julie geen serie kijken?
  2.  Wat heeft de vader van Julie gedaan voordat hij naar zijn werk ging?
  3. Met wie heeft de vader van Julie een afspraak gemaakt?
  4. Wat besluit Julie te gaan doen? Ze besluit om…
  5. Wie krijgt uiteindelijk zijn/haar zin?

Slide 10 - Slide

la tête
le pied
le dos
le docteur
le médicament
l'hôpital
l'urgence
la pharmacie
le pharmacien
l'opération

Slide 11 - Drag question

pijn hebben (aan) = avoir mal (à)

Tu as mal au cou.
J'ai mal à la tête.
Il a mal à l'oreille.
Nous avons mal aux yeux. 

Let op!
à + le > au
à + les > aux

Slide 12 - Slide

J'ai mal au ventre
J'ai mal aux pieds
J'ai mal au nez.

Slide 13 - Drag question

Avoir mal à - pijn hebben aan

Ik heb pijn aan ....

Hij heeft pijn aan ......


Slide 14 - Slide

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal à
la tête
la jambe
la main
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 15 - Slide

au , à la, à l', aux
à le     =  au        j'ai mal au doigt ( ik heb pijn aan de/mijn) vinger
à la     =  à la      j'ai mal à la tête (ik heb hoofdpijn)
à l'       =  à l'       j'ai mal à l'oreille (ik heb pijn aan het /mijn oor)
à les   =  aux     j'ai mal aux oreilles (ik heb pijn aan de/mijn oren)

Slide 16 - Slide

Avoir mal à - pijn hebben aan
J'ai
Tu as
Il,elle a
Nous avons
Vous avez
Ils, elles ont
mal au
mal à la
mal à l'
mal aux
doigt
tête
oreille
oreilles
onderwerp - werkwoord - rest

Slide 17 - Slide

Au travail
Fais les exercices 6 et 7
timer
10:00

Slide 18 - Slide

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Slide

au travail-
les devoirs
Lundi 31 mars

Leesvaardigheid toets
-meenemen boekje "Les aventures d'Isabelle"

Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

Je kan een Frans leesboekje begrijpen. (A1)


Slide 24 - Poll

Je gaat luisteren naar een gesprek over gezondheid en je gaat oefenen met woorden die te maken hebben met gezondheid. (A2)

Slide 25 - Poll

au travail-
les devoirs
Lundi 31 mars

Leesvaardigheid toets
-meenemen boekje "Les aventures d'Isabelle"

Slide 26 - Slide

Slide 27 - Slide