Grammatica: 5.1 van wie? mijn, je, uw, zijn, haar, ons, onze, jullie, hun
Wat betekent 'haar'/ waar verwijst 'haar 'naar?
1. Zij had vroeger blond haar en ik heb donker haar.2. Daarom bewonder ik haar.
3. Wat heb je van haar geleerd?
4. Dankzij haar recept maak ik nu de lekkerste soep van de hele wereld!
Waar verwijst onze naar?
5. Maar onze karakters lijken wel veel op elkaar.
6. Mijn moeder maakte onze kleren zelf op de naaimachine.