7.9 & 7.10

Maandag 31 maart
7.9 Het einde van de werkdag
7.10 Herhaling: Praten over vroeger
1 / 27
next
Slide 1: Slide
NT2MBOStudiejaar 2

This lesson contains 27 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Maandag 31 maart
7.9 Het einde van de werkdag
7.10 Herhaling: Praten over vroeger

Slide 1 - Slide

Lesdoelen
 Lesdoel 7.9: De student kan de betekenis van de nieuwe woorden correct herkennen en benoemen.

Lesdoel 7.10: De student kan zinnen maken bij de plaatjes in de voltooide tijd.

Slide 2 - Slide

Wat weet ik?
Vragen?

Slide 3 - Slide

Vorige week?
 gebruiken.

Slide 4 - Slide

De kat zit ___ de tafel.
A
bij
B
in
C
door
D
op

Slide 5 - Quiz

Sylvia werkt ... de tweede
etage van het kantoor
A
op
B
langs
C
in
D
tege

Slide 6 - Quiz

De suiker staat ...
het koffiezetapparaat
A
op
B
bij
C
langs
D
tegenover

Slide 7 - Quiz

Als je moet wachten:
A
Afrekenen
B
Kopen
C
rennen
D
In de rij staan

Slide 8 - Quiz

Slide 9 - Mind map

Slide 10 - Mind map

Slide 11 - Mind map

Schrijf een zin met het woord: Nadenken (over)
timer
2:00

Slide 12 - Slide

 7.9 Het einde van de werkdag

Slide 13 - Slide

 7.9 Het einde van de werkdag
Wat? Een memoryspel waarbij je woorden en betekenissen bij elkaar zoekt.
Hoe? Leg alle kaartjes met de woorden en betekenissen omgedraaid op tafel. Draai om de beurt twee kaartjes om. Als ze bij elkaar horen, mag je ze houden. Anders draai je ze terug.
Hulp? Je mag overleggen
Tijd? Speel het spel tot alle kaartjes gevonden zijn.
Uitkomst? Je leert nieuwe woorden en hun betekenis door te spelen.
Klaar? De speler met de meeste kaartjes wint. Daarna kun je nog een keer.

Slide 14 - Slide

 7.9 Het einde van de werkdag
De woorden
De betekenissen

Slide 15 - Slide

 7.9 Het einde van de werkdag
Hoe weet je of het goed is? De kleur

Slide 16 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger
Wat? Schrijf een zin in de voltooide tijd over wat er is gebeurd.
Hoe? Beschrijf hoe het is gebeurd in een voltooide tijd zin.
Hulp? Schrijf een zin over wie er geholpen heeft (als dat van toepassing is).
Tijd? Geef aan hoe lang het duurde of wanneer het gebeurde.
Uitkomst? Beschrijf het resultaat van de situatie.
Klaar? Geef aan of de situatie nu is afgelopen.

Slide 17 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger
Voorbeeld: De mensen hebben in de rij gestaan bij de kassa.

Slide 18 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger

Slide 19 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger

Slide 20 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger

Slide 21 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger

Slide 22 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger

Slide 23 - Slide

7.10 Herhaling: praten over vroeger
Aan de slag met opdrachten in je boek

Slide 24 - Slide

Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord is een vorm van het werkwoord.

Voltooid betekent dat iets klaar of afgelopen is.

Bijvoorbeeld:
Frits heeft zijn fietsband geplakt

Slide 25 - Slide

Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord eindigt op -en of op -d of -t.

Bijvoorbeeld:
gebroken, geschreven
gehoord, gemaakt
Als je een woord langer maakt, 
hoor je of je een -d of een -t moet schrijven.

Slide 26 - Slide

Het voltooid deelwoord
Het voltooid deelwoord eindigt op -en of op -d of -t.

Bijvoorbeeld:
gebroken, geschreven
gehoord, gemaakt
Als je een woord langer maakt, 
hoor je of je een -d of een -t moet schrijven.

Slide 27 - Slide