5.2

Welkom 2C
 5.2 Hoe verkoop je je product?
Economie
Pincode

1 / 13
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 13 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 60 min

Items in this lesson

Welkom 2C
 5.2 Hoe verkoop je je product?
Economie
Pincode

Slide 1 - Slide

Programma
- Welkom
- Terugblik
- Huiswerk
- Leerdoelen
- Theorie 
- Aan de slag
- Afsluiter

Slide 2 - Slide

Terugblik
Wat is vraag en aanbod?

Welke rollen zijn vraag en aanbod de markt?
Welke beïnvloeding heb je van anderen?
Wat doen bedrijven om meer te verkopen?

Slide 3 - Slide

Huiswerk
opdrachten van 5.1
2 ,3, 4, 6, 7, 9, 11, 13, 16 en 18

Slide 4 - Slide

Leerdoelen
In deze presentatie leer je:
  • wat de inkoopprijs is
  • hoe je de verkoopprijs berekent
  • hoe je rekening houdt met andere aanbieders
  • wat de verschillen zijn tussen verkoop in winkels en online

Slide 5 - Slide

Inkopen
Als winkelier verkoop je aan consumenten.
Je bent dan een detaillist of retailer.

Je koopt goederen in:
  • meestal bij een groothandel
  • soms bij een fabriek of een andere producent.
Voor een product betaal je de inkoopprijs.



Slide 6 - Slide

Verkopen
Winkeliers berekenen de verkoopprijs.
Zij gaan uit van de inkoopprijs.

Daar komt een brutowinstopslag bovenop.
Een deel daarvan is om kosten te betalen,
het andere deel om zelf winst te maken.

Slide 7 - Slide

Slide 8 - Slide

Verkoopprijs
De brutowinstopslag is vaak een percentage van de inkoopprijs.
Je telt die op bij de inkoopprijs. Samen is dat de verkoopprijs.
Inkoopprijs + Brutowinstopslag = verkoopprijs

Stel, je koopt een shirt  in voor 8 euro en verkoopt het shirt met brutowinstopslag van 80%.  Hoeveel is dan de verkoopprijs?

Slide 9 - Slide

Niet de enige aanbieder
Een bedrijf houdt rekening met concurrenten.
Dat zijn andere bedrijven die (in dezelfde omgeving) dezelfde soort producten aanbieden.
Je kunt concurreren met
  • lagere prijzen
  • betere kwaliteit
  • betere service
  • goede bereikbaarheid


Slide 10 - Slide

Wat voor winkel?
Fysieke winkel
= ‘gewone’ winkel.
Heeft hoge kosten:
huur, inrichting, 
verwarming en verlichting.
ook personeel nodig in ‘stille uren’.


Webwinkel
= online winkel.

Heeft lagere kosten:
eenvoudiger gebouw, kale inrichting.
geen ‘stille uren’.
Wel veel verzendkosten en kosten van retouren.


Slide 11 - Slide

Aan de slag
Ga zelfstandig aan de slag met de opdrachten van 5.2
opdrachten = 2,3,7,9,10,12,13 en 15
Vragen? ik loop rond, anders check de tekst bronnen
Klaar? Herhalingsopdracht van 5.2
laatste 5 minuten de afsluiter

Slide 12 - Slide

Afsluiter
wat is de inkoopprijs? 
hoe bereken je de verkoopprijs?
hoe hou je rekening met andere aanbieders?
wat zijn de verschillen tussen verkoop in winkels en online?

Slide 13 - Slide