This lesson contains 12 slides, with interactive quizzes and text slide.
Lesson duration is: 10 min
Items in this lesson
Hoofdstuk 5
Slide 1 - Slide
Je ouders zijn opzoek naar een nieuwe huis dit is een voorbeeld van ...
A
Vraag
B
Aanbod
Slide 2 - Quiz
Henk heeft een marktkraam met kaassoorten
A
Vraag
B
Aanbod
Slide 3 - Quiz
Marketing
Brutowinst
Afzet
Nettowinst
Omzet
Alles wat een bedrijf doet om spullen te verkopen
Brutowinst - Bedrijfskosten =
Omzet - Inkoopwaarde
Aantal stuks wat wordt verkocht
Afzet x verkoopprijs
Slide 4 - Drag question
De inkoopprijs is € 10,- De brutowinstopslag is 70% van de inkoopprijs. Hoeveel bedraagt de verkoopprijs?
A
€ 3,-
B
€ 7,-
C
€10,-
D
€ 17,-
Slide 5 - Quiz
Een ander woord voor omzet is opbrengsten?
A
Juist
B
Onjuist
Slide 6 - Quiz
Een ander woord voor verkoopprijs is omzet?
A
Juist
B
Onjuist
Slide 7 - Quiz
Een ander woord voor verkoopprijs excl. BTW is consumentenprijs
A
Juist
B
Onjuist
Slide 8 - Quiz
BTW betaal je alleen voor goederen
A
Juist
B
Onjuist
Slide 9 - Quiz
Een voorbeeld van bijverkoop in een schoenwinkel is ...
A
Rok
B
Sokken
C
Kaas
D
T-shirt
Slide 10 - Quiz
De verkoopprijs excl. btw is € 200,- Het btw percentage is 21%. Hoeveel bedraagt de verkoopprijs incl. BTW? Noteer je antwoord zonder euroteken en rond evt. af op een heel getal.
Slide 11 - Open question
De brutowinst bedraag € 2.750,- De loonkosten waren € 700,- de huurkosten waren € 500,- en de verkoopkosten waren € 650,-. Hoeveel is de nettowinst. Noteer je antwoord zonder leestekens of euroteken