Oefenen met stof periode 3

Oefenen met stof periode 3
1 / 38
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 3,4

This lesson contains 38 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Oefenen met stof periode 3

Slide 1 - Slide

Stof periode 3
  • leesvaardigheid: leestekst
  • literatuurgeschiedenis: parate kennis
  • poëzieanalyse: gedichten, stijlfiguren & beeldspraak
  • verplichte boeken: inhoud en structuur
  • keuzeboeken: structuur

Slide 2 - Slide

Oefenen!
De volgende oefenvragen lijken op die van de toets. Kies steeds het juiste antwoord.

Slide 3 - Slide

Tussen welke jaartallen spreken we over de Middeleeuwen?
A
0-500
B
1500-1800
C
500-1500
D
1000-1500

Slide 4 - Quiz

Sleep steeds het literaire werk naar het juiste genre uit de Middeleeuwen. Er blijft één genre over.
Ridderroman
Toneelstuk
Geestelijk verhaal
Dierenverhaal
Hoofse poëzie
Mariken van Nieumeghen
Beatrijs
Walewein
Van den vos Reynaerde

Slide 5 - Drag question

Over een non wil ik gaan dichten:
moge God mijn geest verlichten,
want ik moet hoofd- en bijzaak scheiden
en dit tot een goed einde leiden.


Ik moet me aan de feiten houden
die Gijsbrecht me eens toevertrouwde,
een monnik die als schriftgeleerde
dagelijks boeken bestudeerde
en daarin ook dit wonder las.

Slide 6 - Slide

Uit welke periode komt dit gedicht?

Slide 7 - Open question

Waarom staat dit gedicht volledig op rijm?

Slide 8 - Open question

Hoe noemen we het mensbeeld van de Renaissance?

Slide 9 - Open question

Welke van deze schrijvers komt uit de Renaissance?
A
Multatuli
B
Beatrijs
C
P.C. Hooft
D
Willem Elsschot

Slide 10 - Quiz

Sleep steeds het juiste kenmerk naar de juiste periode uit de literatuurgeschiedenis.
Renaissance
Romantiek
Middeleeuwen
20e eeuw
Verlichting
abstracte beelden
wijze lessen in poëzie
schrijvers met namen
theocentrisch
inspiratie uit natuur

Slide 11 - Drag question

Wie van deze schrijvers is onderdeel van de Grote Drie?
A
Hella Haasse
B
Willem Kloos
C
W.F. Hermans
D
Jan Wolkers

Slide 12 - Quiz

Wie van deze schrijvers is onderdeel van de Grote Drie?
A
Marga Minco
B
Harry Mulisch
C
Maarten 't Hart
D
Hendrik Marsman

Slide 13 - Quiz

Wat is het vertelperspectief in De eerlijke vinder?
A
meervoudige verteller
B
ik-verteller
C
hij/zij-verteller
D
alwetende verteller

Slide 14 - Quiz

Uit welk land komt het gezin Ibrahimi?
A
Joegoslavië
B
Servië
C
Kosovo
D
Bosnië

Slide 15 - Quiz

Wat spaart Jimmy?
A
knikkers
B
flippo's
C
Pokémon-kaarten
D
potloden

Slide 16 - Quiz

Waarom wil Tristan Jimmy gaan 'redden'?
A
Om geld te verdienen.
B
Om indruk te maken op het dorp.
C
Om een held te kunnen worden.
D
Omdat zijn familie dan kan blijven.

Slide 17 - Quiz

Wie gaat aan het einde van de novelle dood?
A
Jimmy
B
Jetmira
C
Tristan
D
Paola

Slide 18 - Quiz

Welke van deze mensen is geen personage in het boek Neven?
A
Robert
B
Sandra
C
Arie
D
Nadien

Slide 19 - Quiz

Motto van Neven
‘Wie een geweten heeft, die zal moeten lijden, wanneer hij zijn fout inziet. Dat is dan zijn straf, - behalve de gevangenis.

Slide 20 - Slide

Waar gaat het motto van Neven over?
A
wraak
B
criminaliteit
C
schuldgevoel
D
dood

Slide 21 - Quiz

Noteer een van de drugsbazen uit het boek Neven.

Slide 22 - Open question

Waar speelt het verhaal zich af?
A
Vlieland
B
Schiermonnikoog
C
Texel
D
Terschelling

Slide 23 - Quiz

Wat was de hobby van Arie?
A
vissen
B
zwemmen
C
voetballen
D
waterpolo

Slide 24 - Quiz

Gedichten, stijlfiguren en beeldspraak

Kies steeds het juiste antwoord bij de vragen.

Slide 25 - Slide

En dan: wat is natuur nog in dit land?
Een stukje bos, ter grootte van een krant,
een heuvel met wat villaatjes ertegen.

A
metafoor
B
metonymia
C
vergelijking
D
synesthesie

Slide 26 - Quiz

Het leven houdt zijn wonderen verborgen
tot het ze, opeens, toont in hun hoge staat.
A
personificatie
B
metafoor
C
vergelijking
D
metonymia

Slide 27 - Quiz

Word bokser: meer kans op slagen.
A
hyperbool
B
woordspeling
C
anthithese
D
paradox

Slide 28 - Quiz

Je kan geen seconde wegkijken van deze wedstrijd!
A
hyperbool
B
understatement
C
eufemisme
D
tautologie

Slide 29 - Quiz

Het was niet bepaald een slechte wedstrijd van ons.
A
enumeratie
B
anthithese
C
pleonasme
D
litotes

Slide 30 - Quiz

De bal wil maar niet in het doel gaan!
A
metafoor
B
personificatie
C
metonymia
D
synesthesie

Slide 31 - Quiz

De spelers staan klaar voor de aftrap op het groene gras van het Koning Boudewijnstadion.
A
repetitio
B
tautologie
C
paradox
D
pleonasme

Slide 32 - Quiz

Hij bleef kalm en beheerst bij die strafschop.
A
pleonasme
B
paradox
C
tautologie
D
antithese

Slide 33 - Quiz

Liggen in de zon
Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht
Ik lig languit lig in mijn huid te zingen
lig zacht te zingen antwoord op het licht
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
te zingen van het licht dat om en op mij ligt.
Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder
te weten hoe of wat ik ligt alleen maar stil
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Slide 34 - Slide

Wat is het rijmschema van dit gedicht?

Slide 35 - Open question

Wat is een voorbeeld van alliteratie?
A
de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht
B
ik weet alleen het licht van wonder boven wonder
C
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht
D
ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Slide 36 - Quiz

Wat is een voorbeeld van assonantie?
A
zeer zuidelijk lig zonder
B
lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen
C
ik ligt alleen maar stil
D
ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

Slide 37 - Quiz

Welk stijlfiguur komt in dit gedicht heel veel voor?
A
paradox
B
repetitio
C
enumeratie
D
hyperbool

Slide 38 - Quiz