Ademhalingsstelsel

Het ademhalingsstelsel
1 / 28
next
Slide 1: Slide
PAAFMBOStudiejaar 1

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes, text slides and 4 videos.

Items in this lesson

Het ademhalingsstelsel

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Wat weet je al van het ademhalingsstelsel?

Slide 2 - Mind map

This item has no instructions

Kennismaken
https://biologiepagina.nl/Oefeningen/Ademhalingsstelsel/ademhalingsstelsel.htm
timer
1:00

Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Slide 4 - Link

This item has no instructions

Slide 5 - Video

This item has no instructions

Onderste en bovenste luchtwegen
Bovenste luchtwegen: neusholte, mondholte, keelholte (farynx) en strottenhoofd (larynx)
Onderste luchtwegen: luchtpijp (trachea), luchtwegvertakkingen 
(bronchiën en bronchioli), longblaasjes 
(alveoli)

Slide 6 - Slide

This item has no instructions

Slide 7 - Slide

De bovenste luchtwegen verbinden de buitenwereld met de onderste luchtwegen. De bovenste luchtwegen zorgen ervoor dat de ingeademde lucht wordt opgewarmd, bevochtigd en gezuiverd.

 
Andere functies van de bovenste luchtwegen zijn:
- Slikken
- Vormen van de stem
Neusholte
Onderdelen: septum nasi, neusgangen 
met reukepitheel.
Wand bekleed met trilhaarepitheel
Goed doorbloed
Groot oppervlak
Functie: Verwarmt, filtert en
bevochtigt ingeademde lucht en ruiken

Slide 8 - Slide

This item has no instructions

Keelholte Farnyx
Sluit aan op de mondholte.
 Is ook onderdeel van het ademhalingsstelsel en het spijsverteringsstelsel.
Opening naar:
- Neusholte
- Strottenhoofd
- Slokdarm

Aan de onderkant sluit de keelholte aan op het strottenhoofd.

Slide 9 - Slide

This item has no instructions

Strottenhoofd = Larnyx
Ligging: tussen tongbeen en luchtpijp

Onderdelen:
  • Bindweefselplaat
  • Schildkraakbeen
  • Ringkraakbeen
  • 2 bekerkraakbeentjes
  • Epiglottis

Slide 10 - Slide

This item has no instructions

Functies strottenhoofd
Strottenklepje sluit luchtpijp af tijdens slikken
stembanden vormen stem en regelen ademstroom
Bekerkraakbeentjes ondersteunen
stembanden

Slide 11 - Slide

This item has no instructions

Slide 12 - Slide

This item has no instructions

Onderste luchtwegen
  • Luchtpijp (trachea): hoefijzervormige kraakbeenringen
  • Linker- en rechter hoofdbronchus
  • Bronchiën en Bronchioli
  • Wanden bronchien: Trilhaarepitheel
 en glad spierweefsel
  • longblaasjes (alveoli)

Slide 13 - Slide

This item has no instructions

Slide 14 - Slide

De longen lopen helemaal van boven naar beneden in de borstholte. De onderkant van de longen noemen we de longbasis. Deze ligt op het middenrif.
De bovenste punten van de longen vindt je bij de sleutelbeenderen. We noemen de bovenkant van de longen de longtoppen, apex pulmones

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Longblaasjes (alveoli)
Bouw alveoli: dunne wand
Geschikt voor: Gaswisseling:
Opname van zuurstof O2 en afgifte
 van kooldioxide CO2

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Waar vind de gasuitwisseling plaats?
A
Hoofdbronchiën
B
Trachea
C
Alveoli
D
Bronchioli

Slide 17 - Quiz

This item has no instructions

Actieve samenvatting
Je krijgt een formulier van de actieve samenvatting en gaat individueel aan de slag met deze video.

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Slide 19 - Video

This item has no instructions

Bovenste luchtwegen
Onderste luchtwegen
Neusholte
Mondholte
Larynx
Farynx
Trachea
Bronchieën
Bronchiolen
Alveoli

Slide 20 - Drag question

This item has no instructions

Slide 21 - Slide

Ook de gasuitwisseling tussen longblaasjes en bloed vindt plaats door middel van diffusie.

 
Factoren die de gasdiffusie van en naar het longblaasje beïnvloeden.
Zware inspanning zorgt ervoor dat zuurstof sneller over het membraan beweegt. Hetzelfde geldt voor aandoeningen waardoor de longdoorbloeding en de ventilatie van de longen toenemen. Deze versnelling kan tot wel 3x zo veel zijn als in rust. Dit wordt verklaard door de volgende processen:
  • Tijdens inspanning stroomt er meer bloed door de longvaten. Daarom is er meer bloed dat zuurstof kan opnemen
  • In rust worden niet alle longvelden doorbloed, bij inspanning wel. Dit zorgt voor een betere verhouding tussen de ventilatie en de doorbloeding.

Slide 22 - Slide

Inspiratie:
Door spierkracht wordt het volume van de borstholte vergroot. De spieren die het volume vergroten, worden de ademhalingsspieren genoemd.
Inademen vindt plaats door het aanspannen van het middenrif, wat ervoor zorgt dat deze afplat richting de buikholte.
Het borstvlies, dat met het middenrif is vergroeid, beweegt mee naar beneden waardoor de negatieve druk in de pleuraholte toeneemt.
Deze onderdruk zorgt ervoor dat het longvlies, en daarmee de longen, naar beneden worden gezogen, de longen ontplooien zich.
Door het ontplooien van de longen ontstaat een negatieve druk in de longblaasjes ten opzichte van de druk in de omgeving. Door dit drukverschil stroomt de lucht naar de longblaasjes. Dit is inspiratie

Expiratie:
Het middenrif ontspant en komt hierbij weer in zijn rustpositie te staan waardoor de borstholte kleiner wordt. De ribben zakken terug naar beneden door de zwaartekracht. Door de compliantie (terugveren van weefsel) bewegen de longen mee bij het verkleinen van de borstholte en veren terug in hun uitgangsvolume.
Hierdoor ontstaat er overdruk in de longen en een luchtstroom naar buiten

Buikademhaling:
Het middenrif duwt de inhoud van de buik (zoals de darmen) naar beneden. Hierdoor kan de buik uitzetten.

Borstademhaling:
De buitenste tussenribspieren kun je aanspannen. Hierdoor worden de ribben, die normaal gesproken schuin naar beneden zijn gericht, omhooggetrokken. De borstwand beweegt zich dan omhoog, net als het borstvlies, het longvlies en de longen. Hulpademhalingsspieren kunnen het omhoog brengen van de ribben versterken.

Hulpademhalingsspieren:
Wanneer je extra diep inademt.
Liggen in de hals en de schoudergordel. Vb schuine halsspier en de schuine spieren

Slide 23 - Video

This item has no instructions

Slide 24 - Video

This item has no instructions

Slide 25 - Slide

De snelheid waarmee iemand ademt en het volume van zijn longen kun je meten. Dit gebeurd met behulp van spirometrie.
Dit geeft een beeld van de functie van de luchtwegen en van de werking van de ademhalingsspieren. Met een spirometer kun je het volgende meten:
  • Teugvolume: per ademteug ongeveer 5 tot 7 ml/kg lichaamsgewicht
  • IRV: Wanneer iemand na een normale inademing probeert om zo diep mogelijk extra in te ademen, kan hij ongeveer 2,5 liter extra lucht inademen. Als het IRV is ingeademd kan er niet nog méér worden ingeademd
  • ERV: dit is de maximale hoeveelheid lucht die na een normale uitademing extra kan worden uitgeademd (ongeveer 1,5 liter). Wanneer het ERV is uitgeademd kun je dus niet nog méér uitademen
  • FEV: ook wel 1 seconde waarde. Dit is de hoeveelheid lucht die iemand binnen 1 seconde kan uitademen. Deze waarde laat zien hoe doorgankelijk de luchtwegen zijn.

Wat is diffusie ook alweer?

Slide 26 - Open question

This item has no instructions

Slide 27 - Slide

Longslagader vanuit de rechterkamer → longslagader spitst zich in 2 hoofdtakken om de bloedvoorziening naar de longblaasjes te verzorgen
Dankzij de rekbaarheid van de longslagaders kunnen zij zich gemakkelijk aanpassen aan de grote hoeveelheid bloed die bij elke hartslag vanuit de rechterkamer wordt aangevoerd.

Longaders → O2 rijk bloed vanuit de longen naar de linkerboezem → bloed stroomt via de linkerkamer naar de rest van het lichaam

Bloedvoorziening van de bronchiën:
De bronchiale slagaders spelen een rol bij de voeding en het onderhoud van de longen en de luchtwegen zelf. De bronchiale slagaders bevatten O2 rijk bloed. Ze beginnen bij de aorta. In het longweefsel vertakken ze tot haarvaatjes. Daar voorzien ze de grote en kleine bronchiën en het bindweefsel van bloed. De bronchiën krijgen dus via een andere route bloed dan de longblaasjes.

Slide 28 - Slide

De hoeveelheid O2 opgenomen in het bloed noemen we het zuurstofgehalte van het bloed.

De hoeveelheid hemoglobine die aan O2 gebonden is, heet de saturatie (de zuurstofverzadiging).
Bij een verlaagde O2 saturatie voel je je niet prettig. Komt bv voor wanneer je hoog in de bergen bent en wordt hoogteziekte genoemd.
Ook bij mensen met COPD of andere longziekten komt een verlaagde saturatie voor.

Verschillende factoren hebben invloed op het transport van O2 in het bloed:
  • Bloedarmoede: iemand die aan bloedarmoede lijdt, heeft te weinig hemoglobine. Hierdoor kan het bloed minder O2 vervoeren.
  • Koolmonoxide: koolmonoxide bindt veel makkelijker aan hemoglobine dan O2. waaneer koolmonoxide is gebonden aan hemoglobine, kan O2 nier meer binden aan hemoglobine
Koolmonoxide (CO) is een levensgevaarlijk gas dat ontstaat bij onvolledige verbranding van bijvoorbeeld aardgas, hout of benzine. Het is vooral zo gevaarlijk omdat het niet te ruiken, proeven of zien is. Daarom wordt het ook wel de stille sluipmoordenaar genoemd. Koolmonoxide wordt 250 maal sneller in het bloed opgenomen dan zuurstof. Een kleine hoeveelheid koolmonoxide in de lucht leidt al snel tot bewusteloosheid en zelfs tot de dood als er niet snel wordt ingegrepen.