Lektion 5: Hör und lies mal TH1

Lektion 5: Hör und lies mal 
Het werkwoord 'möchten' en de datum opschrijven en toepassen 
1 / 12
next
Slide 1: Slide

This lesson contains 12 slides, with text slides.

Items in this lesson

Lektion 5: Hör und lies mal 
Het werkwoord 'möchten' en de datum opschrijven en toepassen 

Slide 1 - Slide

Leerdoel

  • Aan het einde van de les kun je het werkwoord 'möchten' correct toepassen in zinnen.

  • Aan het einde van de les kun je de datum in het Duits met het voorzetsel 'im' en 'am' gebruiken.


Slide 2 - Slide

Slide 3 - Slide

Oefening 1 
Vul het juiste vervoegde werkwoord van möchten in.

1) Ich _____ gerne ein Eis essen.

2) Du _______ ein neues Fahrrad kaufen, oder?
3) Wir _____ in den gehen.
4) Sie (mv) _____ heute Abend gerne einen Film sehen."
5) Ihr _____ eine Pizza bestellen, oder?"
6) Er _____ lieber mit seinen Freunden spielen.




Slide 4 - Slide

Oefening 2
Vul het juiste vervoegde werkwoord van möchten in.

1) Wir __________ ins Kino gehen.
2) Er __________ heute Abend Fußball spielen.
3) Ihr __________ ein neues Auto kaufen.
4) Was __________ du trinken?
5) Sie (ev) __________ eine Reise nach Deutschland machen.

Slide 5 - Slide

Slide 6 - Slide

Wat is 'am' en wat is 'im'?
'Im' betekent 'in'
Dit gebruik je wanneer je wil zeggen in welke maand iets gebeurt

'Am' betekent 'op'. 
Dit wordt gebruikt om de datum of de dag van de de week aan te geven.

Slide 7 - Slide

Structuur van de datum
In het Duits wordt de datum vaak in de volgorde dag-maand-jaar geschreven. In het Nederlands wordt dit ook op dezelfde manier gedaan 

  • Achter het getal van de datum wordt ALTIJD een 'punt' neergezet. 

  • De maanden in het Duits zijn ALTIJD mannelijk. 
  • Het lidwoord van de maanden is ALTIJD 'Der'
  • De maanden worden in het Duits ALTIJD met een hoofdletter geschreven.

Slide 8 - Slide

Oefenopdracht 1
Invulopdracht: Vul de juiste datum in het Duits met het voorzetsel "am" in.

a) Ich habe  ____________ (op 18 juli) Geburtstag. 
b) Unser Urlaub beginnt ___________. (in december)
c) Die Party ist __________. (in juli) 
d) (In oktober)  __________ feiern wir Halloween! 
e) Du hast  __________ (op 16 mei) ein Termin. 
f) Mein Vater hat  __________ (op 8 februari) Geburtstag. 

Slide 9 - Slide

Oefenopdracht 2
Vertaal de volgende data naar het Duits en gebruik het voorzetsel "am".

a) Op mijn verjaardag, 'op 25 mei', zal ik een feestje hebben.  _________

b) We zullen elkaar 'in december' ontmoeten voor het Kerstfeest.  _________

c) Het schooluitje staat gepland voor 'op 16 juni'.  _________

Slide 10 - Slide

Vragen? 

Slide 11 - Slide

Aufgaben + Hausaufgaben
In der Klasse:
Aufgabe 1 auf Seite 115
Aufgabe 2 und 3 auf Seite 116

Hausaufgaben: Lektion 5
Aufgabe 7  auf Seite 118
Aufgabe 8 auf Seite 119

Slide 12 - Slide