lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp

lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp
1 / 25
next
Slide 1: Slide
NederlandsSecundair onderwijs

This lesson contains 25 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 25 min

Items in this lesson

lijdend voorwerp - meewerkend voorwerp

Slide 1 - Slide

‘Nu vraag ik jullie, willen ZE inderdaad een aanslag plegen op de school met een bom?’
A
onderwerp
B
lijdend voorwerp
C
meewerkend voorwerp

Slide 2 - Quiz

Werkgevers geven hun personeel regelmatig de kans om een cursus te volgen.

'hun personeel' is in deze zin:
A
Onderwerp
B
Persoonsvorm
C
Lijdend voorwerp
D
Meewerkend voorwerp

Slide 3 - Quiz

Wat is 'aan mama' in deze zin:
Ik geef de bloemen aan mama.
A
Lijdend voorwerp
B
voorzetselvoorwerp
C
meewerkend voorwerp
D
bijwoordelijke bepaling

Slide 4 - Quiz

Het wordt een geweldig feest.

'een geweldig feest' is in deze zin:
A
Onderwerp
B
Persoonsvorm
C
Lijdend voorwerp
D
Meewerkend voorwerp

Slide 5 - Quiz

6. Frederik heeft mij vandaag een app gestuurd.

'een app' is in deze zin:
A
Onderwerp
B
Persoonsvorm
C
Lijdend voorwerp
D
Meewerkend voorwerp

Slide 6 - Quiz

6. Jason heeft mij vandaag een app gestuurd.

'een app' is in deze zin:
A
Onderwerp
B
Persoonsvorm
C
Lijdend voorwerp
D
Meewerkend voorwerp

Slide 7 - Quiz

7. Wij kunnen u ook een uitnodiging sturen.

'u' is in deze zin:
A
Onderwerp
B
Persoonsvorm
C
Lijdend voorwerp
D
Meewerkend voorwerp

Slide 8 - Quiz

"Je kunt paddenstoelen spotten met je beste vrienden."
In de bovenstaande zin vind je een...
A
meewerkend voorwerp
B
lijdend voorwerp
C
voorzetselvoorwerp en lijdend voorwerp
D
meewerkend voorwerp en voorzetselvoorwerp

Slide 9 - Quiz

WWG of NWG?

In de laatste film is Boma gestorven.
A
WWG
B
NWG

Slide 10 - Quiz

wwg of nwg?

Hij speelt dagelijks 5 minuten trompet.
A
wwg
B
nwg

Slide 11 - Quiz

Staat in deze zin een WWG of een NWG?

Door het irritante gedrag van mijn zus word ik snel boos.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 12 - Quiz

Staat in deze zin een WWG of een NWG?

Door die levensechte, maar tragische gebeurtenis in de film word ik al gauw droevig.
A
Werkwoordelijk gezegde
B
Naamwoordelijk gezegde

Slide 13 - Quiz

Staat in deze zin een WWG of een NWG?

De fietsen laden op in de garage.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 14 - Quiz

NWG of WWG?
De tentoonstelling toont bedreigde dieren.
A
WWG
B
NWG

Slide 15 - Quiz

NWG of WWG?
De dieren bestaan uit legoblokjes.
A
WWG
B
NWG

Slide 16 - Quiz

NWG of WWG?
De expositie is een primeur!
A
WWG
B
NWG

Slide 17 - Quiz

Hermelien keek twijfelachtig naar het bord dat hij haar voorhield.
A
NWG
B
WWG

Slide 18 - Quiz

Ze zouden de Cruciatusvloek nooit gebruiken tegen de kampioenen.
A
NWG
B
WWG

Slide 19 - Quiz


Bevat deze zin een NWG of een WWG?
Na die hevige regenbui
werd de situatie onhoudbaar.
A
Naamwoordelijk gezegde
B
Werkwoordelijk gezegde

Slide 20 - Quiz

Je vindt een MV in een zin met een...
A
WWG
B
WWG en NWG
C
NWG
D
HWW

Slide 21 - Quiz

WWG of NWG?

Hij wil graag ingenieur worden.
A
WWG
B
NWG

Slide 22 - Quiz

WWG of NWG?

Mijn fiets is stuk.
A
WWG
B
NWG

Slide 23 - Quiz

In een dure filmstudio wordt een film over het oude Rome opgenomen.

Staat er in deze zin een nwg of een wwg?
A
WWG
B
NWG

Slide 24 - Quiz


Bevat deze zin een NWG of een WWG?

Onze buurman harkt elke zaterdag het pad aan.
A
Werkwoordelijk gezegde
B
Naamwoordelijk gezegde

Slide 25 - Quiz