Les 40 - 2TL - Dinsdag 1 apr.

1 / 15
next
Slide 1: Slide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

This lesson contains 15 slides, with text slides.

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

Les 40 - 2TA
Spelling - Toets



DOME

Slide 2 - Slide

Lezen - 3gclxp2
timer
10:00

Slide 3 - Slide

Planning
UUR 1
1. We hebben gelezen
2. Keuze:
Samen opdrachten maken en oefenen / Zelfstandig oefenen

UUR 2
3. Toets

Slide 4 - Slide

Ik ben er morgen niet.

Slide 5 - Slide

Wie zou er samen wat opdrachten willen maken?

Slide 6 - Slide

Maken
Cursus 7 - Spelling

-Maak §14 - Mixopdrachten
-Maak 'trainen' van de mixopdrachten. 


Bereid je goed voor op de toets.


timer
17:00

Slide 7 - Slide

§10 - Engelse werkwoorden
Ik-vorm van Engelse werkwoorden
>  -en (matchen – match; sprayen – spray).
>Hij, zij, u, etc. + t
Dubbele medeklinker verdwijnt: (basketballen – basketbal).

Verleden tijd en voltooide tijd = 't Kofschip x
+de(n) of +te(n)

Slide 8 - Slide

§11 - Voltooid deelwoord
Voorvoegsels:  ge-, her-, ver- of be-

Gelogen - Hersteld - Verkocht - Begrepen
Een voltooid deelwoord kan ook als bijvoeglijk naamwoord worden gebruikt.
Bijvoorbeeld: de geperste sinaasappel; de ingehaalde toets. 
Je gebruikt 't Kofschip x 
Meestal met een hulpwerkwoord
Tegenwoordige en verleden tijd (heb, had)

Slide 9 - Slide

§12 - Werkwoordalarm
Het verschil tussen werkwoorden in de tegenwoordige tijd en de voltooide tijd
-Klanken hoor je niet, maar schrijf je wel
>Dat verschil in de schrijfwijze verandert de werkwoordsvorm
Je kunt het voltooid deelwoord opsporen door hulpwerkwoorden.
Verkleurt - Verkleurd
Je gebruikt t'x-kofschip alleen voor de verleden tijd bij zwakke werkwoorden en bij de voltooide tijd
Verder kun je de tegenwoordige tijd en verleden tijd onderscheiden door woorden als 'morgen', 'vandaag', 'nu', 'straks' en natuurlijk door de vorm van de werkwoorden
LET OP: er is een voltooide tegenwoordige tijd en een voltooide verleden tijd (heeft gedaan / had gedaan)

Slide 10 - Slide

§13 - Persoonsvorm in samengestelde zinnen
Zinnen met twee persoonsvormen
>Twee zinnen die samen een nieuwe zin vormen
-Tijdproef
-Vraagproef
1. Wat is de persoonsvorm?
2. Welk onderwerp hoort daarbij?
3. In welke tijd staat deze?
4. Gaat het om een sterk of zwak werkwoord?

Slide 11 - Slide

Herhaling leerjaar 1
-Persoonsvorm tegenwoordige tijd
-Sterke en zwakke werkwoorden
>Verleden en tegenwoordige tijd
-Voltooid deelwoord
-Onregelmatige werkwoorden

Slide 12 - Slide

timer
5:00
Voor de bel ben je terug in de klas, anders ben je te laat.

Slide 13 - Slide

Hoe te werk:
-Zet je voor- en achternaam op de toets
-Maak deze in stilte
>Praten? Naam op het bord en kruisjes, punten aftrek (0,5 per kruisje)
KLAAR?
Wacht tot de toets is opgehaald en doe iets in stilte
timer
1:00

Slide 14 - Slide

Einde van de les

Slide 15 - Slide