KA30: Democratische revoluties DEEL 1

Wat zijn belangrijke waarden van de Verlichting?
A
Traditie en autoriteit
B
Onwetendheid en bijgeloof
C
Individualisme en isolatie
D
Vrijheid en gelijkheid
1 / 28
next
Slide 1: Quiz
GeschiedenisMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 45 min

Items in this lesson

Wat zijn belangrijke waarden van de Verlichting?
A
Traditie en autoriteit
B
Onwetendheid en bijgeloof
C
Individualisme en isolatie
D
Vrijheid en gelijkheid

Slide 1 - Quiz

Wat is de kern van het absolutisme?
A
Gedeelde macht tussen meerdere vorsten
B
Democratische besluitvorming
C
Heerschappij van één persoon
D
Beperking van koninklijke macht

Slide 2 - Quiz

Welke vorst was een voorbeeld van absolute macht?
A
Karel de Grote
B
Lodewijk XIV
C
Filips II
D
Frederik de Grote

Slide 3 - Quiz

Wat is een belangrijk grondrecht?
A
Recht op vrije tijd
B
Stemplicht
C
Recht op onbeperkte media
D
Recht op gelijke behandeling

Slide 4 - Quiz

KA30: Democratische Revoluties


In Frankrijk gaan mensen de straat op; ze eisen een einde aan de honger en inspraak in bestuur. De bestorming van de Bastille markeert het begin van de Franse Revolutie. De idealen worden door Napoleon verspreid door Europa. 

Slide 5 - Slide

Waarom zijn 'democratische revoluties' en specifiek de Franse Revolutie nog steeds relevant voor de wereld van vandaag?

Slide 6 - Open question

Leerdoelen KA30
T7-30: Je kent de betekenis van het begrip ‘democratische revolutie’.
T7-31: Je kent de drie standen en weet welke rechten en plichten zij hadden.
T7-32: Je kunt meerdere oorzaken van de Franse Revolutie beschrijven.
T7-33: Je kent de betekenis van het begrip ‘natuurlijke rechten’.
T7-34: Je kunt het verloop van de Franse Revolutie beschrijven, vanaf de Nationale Vergadering tot de keizerkroning van Napoleon.

Slide 7 - Slide

Leerdoelen KA30
T7-35: Je kunt het belang van de verklaring van de Rechten van de Mens en Burger uitleggen.
T7-36: Je kunt uitleggen dat de politieke situatie in de Republiek leidde tot de opkomst van revolutionaire ideeën.
T7-37: Je kunt uitleggen hoe de Franse Revolutie invloed had op de ontwikkelingen in de Republiek na 1795.
T7-38: Je kunt beschrijven welke rol het bestuur van Napoleon speelde in Europa en hoe dit bestuur ten einde kwam.
T7-39: Je kunt de doelen van het Congres van Wenen benoemen en toelichten.

Slide 8 - Slide

Terminologie
  • De democratische revoluties in westerse landen met als gevolg discussies over grondwetten, grondrechten en staatsburgerschap.
LD: T7-30

Slide 9 - Slide

Terminologie
  • Democratisch: meer inspraak voor burgers
  • Revolutie: Radicale omwenteling
  • Grondwetten: Belangrijkste wetten van een land
  • Grondrechten: Rechten waar iedereen recht op heeft
  • Staatsburgerschap: Verbonden nationaliteit, rechten en plichten
LD: T7-30

Slide 10 - Slide

Drie standen
  • Eerste stand: Geestelijkheid
  • Bisschoppen, priesters, etc. 
  • Tweede stand: Adel
  • Bestuurlijke functies, leger, etc.
  • Derde stand: Burgers, de rest
  • Boeren, handelaren, juristen, dokters, ondernemers
  • Eerste twee standen betaalden geen belasting
LD: T7-31

Slide 11 - Slide

Oorzaken onrust
  • Lege schatkist Frankrijk, door oorlogen (VS), hoge uitgaven voor het hof in Versailles
  • Misoogsten en hongersnood
  • Hoge belastingen derde stand, privilege eerste twee standen
  • Staten-Generaal bijeen geroepen om crisis te bezweren
LD: T7-32

Slide 12 - Slide

Vergadering Staten-Generaal
  • Koning wil extra belastingen, in ruil voor 'toezeggingen'
  • Stemmen per stand
  • Eerste twee standen hadden dezelfde belangen
  • Derde stand kwam niet aan bod
  • Rijke burgers boos; betalen belasting maar mogen niets zeggen!
LD: T7-34

Slide 13 - Slide

Eed op de Kaatsbaan
  • Derde Stand verlaat vergadering Staten-Generaal
  • Roepen zichzelf uit tot Nationale Vergadering, belofte bij elkaar te blijven totdat nieuwe grondwet is geschreven, met dezelfde rechten en plichten voor iedereen
  • Begin democratische revolutie
LD: T7-34

Slide 14 - Slide

Bastille
  • Slechte oogsten zorgen voor schaarste en honger; onrust in Parijs groeit
  • Woedende menigte naar gevangenis Bastille; symbool absolutisme
  • Plunderen wapens en munitie
LD: T7-34

Slide 15 - Slide

Koning naar Parijs
  • Groep protesterende vrouwen trekt naar het koninklijk paleis in Versailles, eist dat koning naar Parijs verhuist
  • Koning verhuist onder druk, samen met de Nationale Vergadering, naar Parijs
LD: T7-34

Slide 16 - Slide

Veranderingen
  • Erkenning Nationale Vergadering
  • Verklaring voor de Rechten van de Mens en Burger: Vrijheid en gelijkheid voor iedereen op basis van 'natuurlijke rechten', privileges adel en geestelijkheid afgeschaft
  • Nieuwe grondwet: Constitutionele monarchie, bezit kerk naar de staat
LD: T7-33, T7-35

Slide 17 - Slide

Discussie over de Revolutie
  • Girondijnen: Gematigd, bouwen aan stabiele constitutionele monarchie
  • Jacobijnen: Radicale revolutionairen, willen republiek uit angst dat koning alles terugdraait

LD: T7-34

Slide 18 - Slide

Begin Terreur
  • Jacobijnen winnen machtsstrijd
  • Rechtszaak tegen koning en koningin; 'landverraad'
  • Worden beide ter dood veroordeelt en onthoofd op het Place de la Republique
  • Robespierre: iedere tegenstander van de revolutie uitschakelen!
  • Begin periode van Terreur

LD: T7-34

Slide 19 - Slide

Slide 20 - Slide

Verspreiding Revolutie
  • Robespierre regeert als tiran, zelfs Jacobijnen onder het mes
  • Komt zelf onder de guillotine terecht; einde Terreur
  • Franse volksleger verdedigt Republiek met succes; verovert gebieden en verspreid revolutie

LD: T7-34

Slide 21 - Slide

De Revolutie begint met een opstand van de Derde Stand. Toch is het voornamelijk de toplaag van de Derde Stand die zich inzet voor meer inspraak. Leg uit waarom zij dit doen, en niet de boeren en arbeiders.

Slide 22 - Open question

Later sluiten sommige leden van de Eerste en Tweede stand zich ook aan bij de Nationale Vergadering. Bedenk een motief waarom zij zich aan zouden sluiten bij de Derde Stand.

Slide 23 - Open question

Leg uit waarom de Jacobijnen de koning als een constante bedreiging zagen voor de Revolutie.

Slide 24 - Open question

Wat is een kenmerk van staatsburgerschap?
A
Rechten en plichten binnen een staat
B
Geen invloed op wetgeving
C
Geen identificatie nodig
D
Altijd tijdelijk van aard

Slide 25 - Quiz

Waarom riep Lodewijk XVI de Staten-Generaal bijeen?
A
Verandering van de monarchie
B
Financiële crisis in Frankrijk
C
Angst voor verlies van de macht
D
Nieuwe wetgeving voor het leger

Slide 26 - Quiz

Wat is een belangrijk kenmerk van een constitutionele monarchie?
A
Volksstemmen zijn niet toegestaan
B
Er is een grondwet die de regels vastlegt
C
De koning heeft beperkte macht
D
De koning regeert zonder beperkingen

Slide 27 - Quiz

Welke groep werd vaak beschuldigd tijdens de Terreur?
A
Girondijnen
B
Jacobijnen
C
Wetenschappers
D
Royalisten

Slide 28 - Quiz