Taalverzorging 2F: 4.5 Samengestelde zinnen

1 / 24
next
Slide 1: Slide
NederlandsMBOStudiejaar 2,3

This lesson contains 24 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Slide 1 - Slide

This item has no instructions

Doel
  • Je formuleert correcte samengestelde zinnen.

Slide 2 - Slide

This item has no instructions

Wat gaan we doen?
Herhalen:
Werkwoordspelling
Lidwoorden
Aanwijzende voornaamwoorden

Nieuwe theorie:
Verwijswoorden


Slide 3 - Slide

This item has no instructions

Herhalen - de beste manier van leren

Slide 4 - Slide

This item has no instructions

De kippen hebben deze week nog weinig eieren ..... (leggen, volt. tijd)
A
gelegt
B
gelegd
C
geleggen
D
geligd

Slide 5 - Quiz

This item has no instructions

Hebben jullie de tuin van opa al .....? (spitten, volt. tijd)
A
gespit
B
gespid

Slide 6 - Quiz

This item has no instructions

Samen met mijn buurman ..... ik morgen onze oprit. (verbreden)
A
verbreed
B
verbreedt
C
verbreedde
D
verbreedden

Slide 7 - Quiz

This item has no instructions

Ze .... elkaar na lange tijd toch het beste toe. (toewensen)
A
wensten
B
wenstten
C
wensden
D
wensdden

Slide 8 - Quiz

This item has no instructions

De toestand van de patiënt is iets ....... (verbeteren)
A
verbetert
B
verbeterd

Slide 9 - Quiz

This item has no instructions

Formuleren (verwijswoorden)

''Ik heb een oude fiets, maar … rijdt nog goed.''
A
dat
B
dit
C
deze
D
die

Slide 10 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het juiste verwijswoord?

De jongen ...
A
die
B
dat
C
wat

Slide 11 - Quiz

This item has no instructions

Wat is het juiste verwijswoord?

Het meisje ...
A
die
B
dat
C
wat

Slide 12 - Quiz

This item has no instructions


Verwijswoorden.
In welke zin staat een FOUT verwijswoord?
A
Uw collega's stoel staat hier, volgens hem.
B
U vroeg of uw badkamer nog betegeld kon worden.
C
Ik heb jouw broer ook uitgenodigd, nadat zij dat vroeg.
D
Ik heb daarna jouw oom en tante ook uitgenodigd.

Slide 13 - Quiz

This item has no instructions

Nieuwe theorie

Slide 14 - Slide

This item has no instructions

Slide 15 - Slide

This item has no instructions

Slide 16 - Slide

This item has no instructions

Slide 17 - Slide

This item has no instructions

Slide 18 - Slide

This item has no instructions

Slide 19 - Slide

This item has no instructions


Samengestelde zinnen hebben twee of meer persoonsvormen.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 20 - Quiz

Samengestelde zinnen --> zijn zinnen met meer dan 1 persoonsvorm
Welke zinnen zijn samengesteld?
A
Hij had haast.
B
Zijn broertje schoot niet op met tanden poetsen.
C
Als hij later zelf kinderen heeft, gaat hij strenger zijn.
D
Dat getreuzel komt doordat zijn moeder altijd overal een grapje van maakt.

Slide 21 - Quiz

This item has no instructions


Welke zinnen zijn samengestelde zinnen?
A
Bram voetbalt en hij zit op tafeltennis.
B
Door de vele fietsers in de stad kan de tram lastig rijden.
C
Na de kerstvakantie begint het nieuwe kalenderjaar.
D
Terwijl ik op de bus wachtte, werd ik nat gespetterd door een auto.

Slide 22 - Quiz

This item has no instructions


Welke zinnen zijn samengestelde zinnen?
A
Mijn buurjongen was zijn zusje weer eens vergeten.
B
De hond rent door het park en zijn baasje rent erachteraan.
C
Toen het begon te waaien, deden we snel onze jas aan.
D
De dansjes van Tiktok zijn heel populair tegenwoordig.

Slide 23 - Quiz

This item has no instructions

Aan de slag

Slide 24 - Slide

This item has no instructions