Hoofdstuk 6: Vooroordelen en stereotypering



Je telefoon ligt in je kluis/tas.
Zichtbaar? Inleveren! 📵

     Ons huiswerk is klaar wanneer dit 
verwacht wordt. 

     Je laptop ligt dicht klaar op tafel.


Je schrift en pen
    liggen klaar op tafel. 📖✍











Zijn er vragen of heb je iets niet af/bij?
Laat van je horen! 🔊


OPDRACHT 1: KEUZES MAKEN
Handige links!
1 / 27
next
Slide 1: Slide
GeschiedenisMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

This lesson contains 27 slides, with text slides and 2 videos.

time-iconLesson duration is: 40 min

Items in this lesson



Je telefoon ligt in je kluis/tas.
Zichtbaar? Inleveren! 📵

     Ons huiswerk is klaar wanneer dit 
verwacht wordt. 

     Je laptop ligt dicht klaar op tafel.


Je schrift en pen
    liggen klaar op tafel. 📖✍











Zijn er vragen of heb je iets niet af/bij?
Laat van je horen! 🔊


OPDRACHT 1: KEUZES MAKEN
Handige links!

Slide 1 - Slide

Hoofdstuk 6
Vooroordelen en stereotypering
  

OPDRACHT 1: KEUZES MAKEN
Handige links!

Slide 2 - Slide


Hoofddoel:

 

Je leert kennismaken met het begrip vooroordelen en stereotypering
lknwe
Subdoelen:



- Ik kan uitleggen wat vooroordelen zijn en hoe deze ontstaan. 
-Ik kan uitleggen wat stereotypering is. 
- Ik kan kenmerken van stereotypering geven. 
De leerdoelen: deze les

Slide 3 - Slide

Opdracht 1
Jullie krijgen een drietal foto’s te zien. Het is de bedoeling dat jullie je eerste reactie noteren bij het zien van die foto. Daarnaast probeer je ook antwoord te geven op de vragen.
Neem het onderstaande schema over in je schrift of vul het werkblad in.
Wat zegt de foto over die persoon?


Slide 4 - Slide

x

Slide 5 - Slide


Wat zijn vooroordelen?

Een vooroordeel is een mening die mensen al bij voorbaat in hun hoofd hebben over andere (groepen) mensen, zonder te weten of het wel klopt met de feiten. Dus: als je op grond van zaken over iemands uiterlijk, afkomst of religie al je mening klaar hebt, zonder dat je die persoon eigenlijk kent, dan heb je een vooroordeel.

Slide 6 - Slide


Wat is een mening? Wat is een feit?  

Een mening is iets wat je over iets of iemand vindt. Bijvoorbeeld: sommige honden stinken, mijn oma is lief.
Een vooroordeel is iets wat je over iets of iemand vindt zonder dat je de feiten kent. Bijvoorbeeld: alle honden zijn vieze beesten, oude mensen klagen veel.
Een feit is iets wat bewezen kan worden en dat je kunt controleren. Bijvoorbeeld: honden hebben vier poten, oude mensen hebben minder sterke botten dan jongere mensen.

Slide 7 - Slide


Opdracht 2
Neem de nummers over in je schrift en vul in of het gaat om een mening of een feit. Vul in de laatste twee lege hokjes zelf een voorbeeld in van een feit en een mening.


timer
3:00

Slide 8 - Slide


Hoe ontstaan vooroordelen?
Om de wereld om ons heen te begrijpen delen we deze op in hokjes, we ‘categoriseren’ met een mooi woord. We categoriseren omdat dat vele voordelen heeft, dan weet je wat je ermee kan doen, en of het goed of slecht is. Dat doe je door je kennis over bvb peren in het algemeen toe te passen op het object dat je zojuist als peer gecategoriseerd hebt. Die kennis krijgen we door eigen ervaringen, maar ook door wat we van anderen leren. 


Slide 9 - Slide


Wie heeft vooroordelen? 
Bijna alle mensen hebben wel vooroordelen over mensen uit andere groepen. Nederlanders over Marokkanen, Marokkanen over Nederlanders, Turken over Surinamers, Surinamers over Turken, enzovoorts, enzovoorts. Vooroordelen zijn echter niet alleen gebaseerd op afkomst. Over verschillen tussen vrouwen en mannen en tussen homoseksuelen en heteroseksuelen bestaan ook veel vooroordelen. 


Slide 10 - Slide


Opdracht 3
Brainstorm per twee: kennen jullie voorbeelden van vooroordelen? Noteer alle vooroordelen die je kent in je schrift.  


timer
5:00

Slide 11 - Slide


Opdracht 4
Zelf aan de slag met de tekst lezen.

Noteer de antwoorden in je schrift.
a. Welke indruk laat de tekst op je na?
b. Zit er waarheid in de tekst? Waarom wel of waarom niet?
c. Kijk je door dezelfde bril als Michael Moore? Of niet? Hoe sta jij tegenover mensen met andere huidskleur?



Slide 12 - Slide


Opdracht 5
Lees de songtekst.

Opdracht 5
Welke vooroordelen zitten er allemaal in dit liedje? Noteer ze in je schrift 





Slide 13 - Slide


Opdracht 6
Beschrijf zo nauwkeurig mogelijk (in trefwoorden) wat jouw indruk is van de twee hoofdrolspelers. Wat voor types zijn deze jongen en dit meisje? We bespreken kort jullie indruk van de hoofdrolspelers.
Kijk nu de rest van het filmpje.
Was je indruk goed? Klopte het beeld wat je had van de twee personen? Leg uit waarom wel of waarom niet.



Slide 14 - Slide

Slide 15 - Video

Wat zijn stereotypen?
Stereotypen zijn veralgemeningen over groepen waarbij individuele verschillen naar de achtergrond worden gedrukt: kunnen zowel positief als negatief zijn. Algemeen menselijke eigenschappen die orde in de chaos van indrukken brengt. ‘Globaal’ en ‘gemiddeld’ beeld van een persoon in plaats van individueel beeld. 

Iedereen heeft stereotypen in z’n hoofd en iedereen gebruikt ze, geen mens uitgezonderd. Van heel veel groepen mensen die we (hebben leren) onderscheiden, zit er ergens in ons hoofd wel een aantal beelden. Welke ken jij?



Slide 16 - Slide

Wat zijn stereotypen?
Stereotypen zijn de denkschema’s of associaties waarmee we, al dan niet terecht, mensen en groepen plaatsen. Hij zal wel zus doen, want alle ... reageren zo; zij zal wel zo in elkaar zitten, want alle ... zitten zo in elkaar, denken we dan. We gebruiken stereotypen in de eerste plaats als ‘nuttige kennis’. Stereotypen zijn een vast onderdeel van ons denkpatroon. 

Slide 17 - Slide

Wat zijn stereotypen?
Belangrijk om te onthouden:
• Stereotypen zijn generalisaties. Iedereen gebruikt ze.
• Stereotypen kunnen negatieve, maar ook positieve kenmerken bevatten.
• Sommige stereotypen kunnen (deels) kloppen, maar andere stereotypen kloppen niet. Stereotypen zijn altijd inaccuraat als ze toegepast worden op ieder groepslid.
• Stereotypen kunnen ons in de weg zitten. Ze sturen onze verwachtingen van mensen en ze zorgen ervoor dat we de uniformiteit van een groep overschatten.

Slide 18 - Slide

Wat zijn stereotypen?
Belangrijk om te onthouden:
• Stereotypen zijn generalisaties. Iedereen gebruikt ze.
• Stereotypen kunnen negatieve, maar ook positieve kenmerken bevatten.
• Sommige stereotypen kunnen (deels) kloppen, maar andere stereotypen kloppen niet. Stereotypen zijn altijd inaccuraat als ze toegepast worden op ieder groepslid.
• Stereotypen kunnen ons in de weg zitten. Ze sturen onze verwachtingen van mensen en ze zorgen ervoor dat we de uniformiteit van een groep overschatten.

Slide 19 - Slide


Opdracht 7
Welke stereotypen komen in dit fragment naar voor?

Slide 20 - Slide

Slide 21 - Video


Opdracht 8
Bespreek in tweetal. Beschrijf een situatie waarin je jezelf hebt betrapt op stereotiepe denken over een groep/persoon waar je je later over schaamde.

timer
3:00

Slide 22 - Slide


Oorzaken en redenen voor stereotypering


1. Socialisatieproces: Welke stereotiepe beelden kreeg je in je opvoeding mee?, Welke stereotiepe beelden kreeg je mee vanuit je omgeving, media?
2. Behoefte aan het creëren van een eigen positieve identiteit: Positief eigenbeeld door “eigen” groep gunstig te laten afsteken ten opzichte van “andere”’ groepen.
3. Angst voor het vreemde: xenofobie: Iets vreemd kan bedreigend zijn als je daardoor je eigen normen en waarden ter discussie stelt.



Slide 23 - Slide


Oorzaken en redenen voor stereotypering


1. Socialisatieproces: Welke stereotiepe beelden kreeg je in je opvoeding mee?, Welke stereotiepe beelden kreeg je mee vanuit je omgeving, media?
2. Behoefte aan het creëren van een eigen positieve identiteit: Positief eigenbeeld door “eigen” groep gunstig te laten afsteken ten opzichte van “andere”’ groepen.
3. Angst voor het vreemde: xenofobie: Iets vreemd kan bedreigend zijn als je daardoor je eigen normen en waarden ter discussie stelt.



Slide 24 - Slide


Opdracht 9
De hele klas doet mee aan deze oefening. Het uiteindelijke doel is om zoveel mogelijk hokjes in te vullen.
Straks lopen jullie rond in de klas en probeer je mensen te vinden die bevestigend kunnen antwoorden op je vragen. Als je iemand gevonden hebt die ‘ja’ kan antwoorden op je vraag, kun je in het hokje onder de vraag een kruisje zetten.Je mag elke persoon die ‘ja’ heeft geantwoord op een van je vragen slechts één keer gebruiken.
Blijf zoveel mogelijk andere personen aanspreken.

timer
5:00

Slide 25 - Slide


Opdracht 9: Schrijf in je schrift
a. Wat vond je ervan om bepaalde mensen bepaalde vragen te stellen? En hoe heb je het stellen van vragen aangepakt?
b. Waren bepaalde vragen moeilijker om te stellen dan andere? Waarom?
c. Waarom heb je bepaalde vragen aan bepaalde mensen gesteld? Geef enkele voorbeelden.
d. Hebben verschillende mensen dezelfde vraag aan jou gesteld? Zo ja, hoe voelde je daardoor? Waarom hebben ze jou uitgekozen voor bepaalde vragen?
e. Wat heb je van deze oefening geleerd over je eigen stereotypen en vooroordelen?


Slide 26 - Slide



 Waar: Reader
-> Hoofdstuk 6


 Wat: De opdrachten die we overgeslagen hebben.
 
 Wanneer: Morgen

Hoe: Zelf in stilte of met je buurman/buurvrouw zachtjes overleggen.
Klaar? Mij bij je roepen




Zijn er vragen of heb je iets niet af/bij?
Laat van je horen! 🔊


Zelf aan de slag
timer
15:00

Slide 27 - Slide