quiz burgerschap

Quiz Burgerschap
1 / 19
next
Slide 1: Slide
MaatschappijleerPraktijkonderwijsLeerjaar 1

This lesson contains 19 slides, with interactive quizzes and text slide.

time-iconLesson duration is: 10 min

Items in this lesson

Quiz Burgerschap

Slide 1 - Slide

1. Hoelang mag een kabinet maximaal blijven zitten?
A
4 jaar
B
5 jaar
C
6 jaar
D
Het maakt niet uit

Slide 2 - Quiz

2. Wat betekent het dat een kabinet valt
A
Het is glad buiten en de ministers vallen
B
De ministers mogen belangrijke beslissingen nemen
C
De ministers mogen geen belangrijke beslissingen meer nemen
D
Een kabinet kan niet vallen

Slide 3 - Quiz

3. Wat is netto loon?
A
Geld dat je overhoudt aan het einde van de maand
B
Geld dat je krijgt van je werkgever
C
Belasting
D
Geld dat uiteindelijk op je rekening wordt gestort

Slide 4 - Quiz

4. Wat is het tegenovergestelde van inkomsten?
A
Uitgaven
B
Netto
C
Uitkering
D
Bruto

Slide 5 - Quiz

5. Rente is extra geld dat je betaald. Bij welke dingen betaal je rente?
A
Pinnen in de winkel
B
Betalen met een creditcard
C
Rood staan op je rekening
D
Op afbetaling kopen

Slide 6 - Quiz

6. Wat past bij: een werknemer heeft een dienstverband voor onbepaalde tijd.
A
ZZP'er
B
Vaste dienst
C
Tijdelijke dienst
D
Werkloos

Slide 7 - Quiz

7. Bij een inkomen betaalt iemand belasting en premies. Verdien je bruto 2000 euro? Hoeveel ontvang je dan ongeveer netto?
A
1500
B
1600
C
1700
D
1800

Slide 8 - Quiz

8. Wie is de minister president van Nederland?
A
De Jonge
B
Schoof
C
Rutte
D
Dekker

Slide 9 - Quiz

Je kunt kijken of geld echt is door:
A
Het onder een UV lamp te houden
B
Een streep zetten met een speciale stift
C
Er aan te likken en ribbeltjes te voelen
D
Er aan te ruiken

Slide 10 - Quiz

Als je geld uitgeeft voor het abonnement van je telefoon zijn dat ..
A
dagelijkse uitgaven.
B
variabele uitgaven.
C
vaste uitgaven.
D
vaste inkomsten.

Slide 11 - Quiz

Wat is respect?
A
Iets met elkaar ondernemen
B
Rekening houden met anderen
C
Het oudste kind thuis zijn
D
Je eigen keuzes kunnen maken

Slide 12 - Quiz

Thijs zet harde muziek aan in de trein. Dat is een voorbeeld van:
A
Een plicht
B
Een recht
C
Respect
D
Asociaal gedrag

Slide 13 - Quiz

Norm: Ik mag gaan en staan waar ik wil.
Welke waarde hoort hierbij?
A
respect
B
gelijkheid
C
netheid
D
vrijheid

Slide 14 - Quiz

Norm: Iemand uitlachen is niet leuk.
Welke waarde hoort hierbij?
A
gastvrijheid
B
gelijkheid
C
beleefdheid
D
respect

Slide 15 - Quiz

Welk woord hoort hierbij?

Iedereen is evenveel waard
A
gerechtigheid
B
cultuur
C
normen
D
gelijkwaardigheid

Slide 16 - Quiz

Elke ochtend fietsen naar school kan bij cultuur horen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 17 - Quiz

Kunst hoort bij cultuur
A
Ja
B
Nee

Slide 18 - Quiz

Wat betekent cultuur?
A
Een groep mensen met dezelfde waarden, normen en gewoonten
B
Kleine, verschillende groepjes binnen de samenleving

Slide 19 - Quiz