SPELLING: bepaling van plaats

Quizzen met grammatica!
Groep 8
1 / 16
next
Slide 1: Slide
SpellingBasisschoolGroep 8

This lesson contains 16 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 15 min

Items in this lesson

Quizzen met grammatica!
Groep 8

Slide 1 - Slide

'Ik zou wel twintig minuten op mijn leren bank willen liggen.'

Wat voor soort woord is: twintig ?
A
Voorzetsel
B
Rangtelwoord
C
Telwoord
D
Bijvoeglijk naamwoord

Slide 2 - Quiz

'Ik zou wel twintig minuten op mijn leren bank willen liggen.'

Wat voor soort woord is: mijn ?
A
Persoonlijk voornaamwoord
B
Telwoord
C
Zelfstandig naamwoord
D
Bezittelijk voornaamwoord

Slide 3 - Quiz

'Ik zou wel twintig minuten op mijn leren bank willen liggen.'

Wat voor soort woord is: leren ?
A
Bijvoeglijk naamwoord
B
Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord
C
Voorzetsel
D
Voegwoord

Slide 4 - Quiz

'Ik zou wel twintig minuten op mijn leren bank willen liggen.'

Wat voor soort woord is: Ik ?
A
Bezittelijk voornaamwoord
B
Persoonlijk voornaamwoord
C
Voorzetsel
D
Rangtelwoord

Slide 5 - Quiz

Theorie:
Hoe vind je de bepaling van plaats?

Slide 6 - Open question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
Hoog in de bergen van Peru
ligt
de Incastad Machu Picchu.

Slide 7 - Drag question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
Staat 
de graftempel Taj Mahal
in Noord-India?

Slide 8 - Drag question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
Het beeld Cristo Redentor
staat
op een berg bij Rio de Janeiro.

Slide 9 - Drag question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
De Chinese muur 
ligt
in het noorden van China.

Slide 10 - Drag question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
De ruïne van de tempel van Saturnus
staat
in Rome.

Slide 11 - Drag question

Onderwerp:
Gezegde:
Bepaling van plaats:
In het huidig Jordanië
liggen
de rotswoningen van Petra.

Slide 12 - Drag question

Klik de voegwoorden aan!
A
de, het, een
B
ik, jij, hij, zij
C
want, terwijl, omdat
D
onder, op, naast

Slide 13 - Quiz

Klik de bezittelijke voornaamwoorden aan!
A
hun, jouw, mijn, onze
B
tussen, tijdens, achter
C
de, het, een
D
ik, wij, jullie, u

Slide 14 - Quiz

Zoveel mogelijk
voegwoorden!

Slide 15 - Mind map

Slide 16 - Slide