Oefenen hoofdstuk 6

Oefenen hoofdstuk 6
Log in bij de Lesson Up 

We gaan vandaag theorie en rekenvragen herhalen in Lesson Up

Pak je boek en iPad erbij en log in

1 / 28
next
Slide 1: Slide
EconomieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 3

This lesson contains 28 slides, with interactive quizzes and text slides.

time-iconLesson duration is: 30 min

Items in this lesson

Oefenen hoofdstuk 6
Log in bij de Lesson Up 

We gaan vandaag theorie en rekenvragen herhalen in Lesson Up

Pak je boek en iPad erbij en log in

Slide 1 - Slide

Welke beloning hoort bij de productiefactor natuur?
A
Pacht
B
Rente
C
Loon
D
Winst

Slide 2 - Quiz

Voor welke productiefactor is winst de beloning?
A
Natuur
B
Kapitaal
C
Ondernemerschap
D
Arbeid

Slide 3 - Quiz

Hoe noemen we het totaal van alle beloningen voor de productiefactoren?

Slide 4 - Open question

De productie in de fabriek van Mercedes is
A
Arbeidsintensief
B
Kapitaalintensief

Slide 5 - Quiz

Een auto kost EUR 10.000. De restwaarde is EUR 1.000. De auto gaat 9 jaar mee, wat is de jaarlijkse afschrijving.

Slide 6 - Open question

Welke bewering is juist?
A
BTW zit in de verkoopprijs
B
BTW zit in de consumentenprijs
C
BTW is extra winst voor het bedrijf
D
Over alle producten betaal je 21%

Slide 7 - Quiz

Je bent niet tevreden over de arbeidsproductiviteit. Wat kun je doen om deze te verhogen?
A
Lonen verhogen
B
Meer automatiseren
C
Meer ongeschoold personeel in dienst nemen
D
Taken minder verdelen onder het personeel

Slide 8 - Quiz

Wat is afzet?

Slide 9 - Open question

Wat is een voorbeeld van bedrijfskosten?
A
BTW
B
Inkoopkosten
C
Huurkosten

Slide 10 - Quiz

Hoe noemen we dit negatieve gevolgen van productie voor de samenleving?

Slide 11 - Open question

Afschrijvingskosten van de machine zijn
A
Vaste kosten
B
Variabele kosten

Slide 12 - Quiz

Grondstoffen voor het maken van de chocoladerepen zijn
A
Vaste kosten
B
Variabele kosten

Slide 13 - Quiz

Loon van de medewerkers op de afdeling personeelszaken zijn
A
Vaste kosten
B
Variabele kosten

Slide 14 - Quiz

Wat is de formule voor het uitrekenen van de omzet?

Slide 15 - Open question

Noem de 6 p's

Slide 16 - Open question

Het aanbod van producten komt van
A
Consumenten
B
Producenten

Slide 17 - Quiz

De vraag naar producten komt van
A
Consumenten
B
Producenten

Slide 18 - Quiz

Slide 19 - Link

Aandacht besteden aan Halloween is een vorm van Marketing. Welke P uit de marketingmix wordt hier vooral gebruikt?

Slide 20 - Open question

Wat is de toegevoegde waarde van de scooterwinkel? (blz 162)
A
€ 1.290 - € 950 = € 340
B
€ 1.290
C
€ 950
D
€ 1.290 - € 785 = € 505

Slide 21 - Quiz

Een lamp wordt verkocht voor € 45 inclusief 21% btw. Hoeveel is de btw?
A
€ 9,45
B
€ 9,25
C
€ 7,81
D
€ 7,80

Slide 22 - Quiz

Ik koop een lamp in voor € 8 en verkoop heb voor € 20. Hoeveel euro bruotwinstopslag?
A
€ 20
B
€ 8
C
€ 28
D
€ 12

Slide 23 - Quiz

Verkoopprijs € 20, brutowinstopslag
€ 12. Wat is de bruotwinstopslag in procenten van de verkoopprijs?
A
60%
B
80%
C
100%
D
167%

Slide 24 - Quiz

De verkoopprijs is € 20, de btw 21%. Wat is de consumentenprijs?
A
€ 20
B
€ 24,20
C
€ 4,20
D
€ 41

Slide 25 - Quiz

Slide 26 - Slide

Ik heb in totaal voor € 7.350 aan wasmanden verkocht. De prijs van een wasmand is € 49. Wat is de afzet?

Slide 27 - Open question

Ik heb voldoende tijd genomen voor het vak economie.
Nee, ik was te druk met andere dingen.
Nee, ik heb het uitgesteld.
Nee, Ik heb niet genoeg tijd gehad.
Nee, ik heb niet opgelet
Nee, ik vond andere dingen belangrijker.
Ja, ik heb elke dag geleerd.
Ja, ik voel me goed voorbereid.
Ja, ik haal een mooi cijfer!
Ja, ik heb altijd mijn huiswerk gemaakt
Ja, ik heb goed opgelet tijdens de les

Slide 28 - Poll