De hoofdzaken in een tekst houden direct verband met de hoofdgedachte. Ze vormen de ruggengraat van de tekst.
De bijzaken geven daar aanvullende informatie bij: nadere bijzonderheden, veelzeggende details, typerende ervaringen, mooie voorbeelden, onverwachte uitzonderingen.
Ze kleuren de hoofdlijn in en nuanceren die waar nodig.
Slide 5 - Slide
hoofd- en bijzaken 2
In sommige teksten zijn de hoofdzaken gemakkelijk te vinden. Nieuwsberichten beginnen altijd met het belangrijkste nieuws, vaak in een vetgedrukte eerste alinea. In instructie- en reclameteksten zorgt de lay-out ervoor dat de hoofdzaken er onmiddellijk uitspringen. Bij tijdschriftartikelen wordt soms een samenvatting afgedrukt. Maar bij de meeste teksten ligt het niet zo eenvoudig.
Slide 6 - Slide
hoofd- en bijzaken 3
• actualiteit (nu) is belangrijker dan de voorgeschiedenis
• grote lijnen van een ontwikkeling zijn belangrijker dan details
• hoofdregel die meestal geldt -> belangrijker dan uitzondering
• algemeen geldend verband is belangrijker dan concreet voorbeeld
•contractbepalingen zelf zijn belangrijker dan bij toelichting
Slide 7 - Slide
hoofd- en bijzaken 4
Samenvatten:
Lees het tekstdeel.
Bedenk dan wat het belangrijkste punt is. Welke (bij)zaken kun je weglaten zonder dat het tekstdeel zijn betekenis verliest, zoals voorbeelden, details of uitzonderingen?
Hoofdzaken horen in de samenvatting, bijzaken laat je weg.
Slide 8 - Slide
TIP
Op het examen kun je tekstgedeelten aanstrepen met een digitale markeerstift.
Als je in elke alinea de belangrijkste zin (of maximaal twee zinnen) aanstreept, is het gemakkelijker om de hoofdlijn van de tekst te vinden.
Slide 9 - Slide
Tekstdoelen
Slide 10 - Slide
tekstdoelen 1
Om het doel van een tekst te bepalen, kijk je naar de tekst als geheel.
Vraag je af wat de auteur of de programmamaker bij de lezers of luisteraars wil bereiken.
Slide 11 - Slide
tekstdoelen 2
• dat ze iets weten wat ze voor die tijd nog niet wisten (informeren)?
• dat ze een serie handelingen juist kunnen uitvoeren (instrueren)?
• dat ze overtuigd raken van een bepaalde mening (betogen)?
• dat ze besluiten om iets wel of juist niet te gaan doen (activeren)?
Slide 12 - Slide
TIP
Soms kun je het gevoel hebben dat er bij een meerkeuzevraag meerdere antwoorden goed zouden kunnen zijn. Lees alle opties dan nog eens goed door, en let op de formulering. Misschien klopt het antwoord wel bijna, maar ontbreekt er iets essentieels, of staat er juist te veel bij, waardoor het antwoord toch niet goed is.
Slide 13 - Slide
Examensprint
Open de licentie via MBO webshop
Noordhoff, NU Engels, Examensprint
Slide 14 - Slide
Terugblik
- hoe heb jij bij het oefen-examen gescoord?
- wat ga je extra oefenen?
Slide 15 - Slide
Gericht trainen B1
Ga naar het onderdeel waar jij extra mee wilt oefenen.