Sociaal gedrag deel 1

Sociaal gedrag
6 Gezondheidszorg - Gedragswetenschappen
Mevrouw van Loon
1 / 51
next
Slide 1: Slide
GedragswetenschappenSecundair onderwijs

This lesson contains 51 slides, with text slides.

time-iconLesson duration is: 100 min

Items in this lesson

Sociaal gedrag
6 Gezondheidszorg - Gedragswetenschappen
Mevrouw van Loon

Slide 1 - Slide

Slide 2 - Slide

Planning
Feedback/brainstorm

Inleiding hoofdstuk

Slide 3 - Slide

Feedback/brainstorm (deel 1)
1. Wat vind je goed aan de lessen/manier van lesgeven?
2. Wat zou je graag anders zien?
(bijv. cursus, LessonUp, evaluaties, werkvormen, ...)

Noteer in groepjes van 2 à 3 op een blaadje papier

Slide 4 - Slide

Feedback/brainstorm (deel 2)
3. Wat willen jullie graag gezien hebben rond dit hoofdstuk?

Noteer in groepjes van 2 à 3 op een blaadje papier

Slide 5 - Slide

Overzicht hoofdstuk
Sociaal gedrag
1 Wat is sociale psychologie? 
2 Sociale rollen en sociale normen 
3 Sociale beïnvloeding en groepsdruk 
4 Groepsdynamica 
5 Leiderschap 


Slide 6 - Slide

1. Wat is sociale psychologie?
Iemand staat in een station en begint zomaar uit het niets te dansen en te springen. Na een minuutje dansen twee anderen mee. Kort nadien volgen er nog een paar mensen. Na drie minuten dansen er zeker zeventig mensen in het station!

Je kijkt televisie. Plots is er reclame voor een notensnack. Je had er nog nooit van gehoord, maar de reclame zelf blijft je bij, want ze was nogal ‘speciaal’. Zoveel kleuren, geluiden, blije gezichten! Twee dagen later sta je in de winkel. Je legt twee van die notensnacks in jouw winkelmandje.


Slide 7 - Slide

1. Wat is sociale psychologie?
Dieter, de broer van je vriendin, is 15 jaar. Het was altijd een rustige en zelfs verlegen jongen. Sinds kort is hij bevriend met drie oudere jongens. Die hebben volgens jou een slechte invloed op hem. Je denkt dat Dieter nu zelfs drugs neemt en alcohol drinkt, gewoon om bij dat clubje te horen.

Wat gebeurt er in dergelijke situaties? Hoe komt het dat die mensen in het station plots meedansen met wildvreemden? Hoezo koop je plots een notensnack? Waarom verandert Dieter zo drastisch?

Slide 8 - Slide

Opdracht: Placemat-methode
In groepjes van 3-4 leerlingen
Stap 1: noteer in jouw eigen vak wat sociale psychologie inhoudt/betekent (5')
Stap 2: vergelijk jullie antwoorden en kom samen tot een definitie van sociale psychologie (middenvak) (5')

Slide 9 - Slide

1. Wat is sociale psychologie?
Sociale psychologie =  bestudeert de manier waarop mensen met elkaar omgaan en elkaar beïnvloeden. 


- Gedrag
- Persoonskenmerken
- Omgevingskenmerken

Slide 10 - Slide

1.1. Gedrag
Gedrag = het geheel van acties en reacties van een mens in relatie tot zijn omgeving. 

Prikkel - betekenis - reactie


Slide 11 - Slide

1.1. Gedrag
Uitwendig vs inwendig

Bewust vs onbewust

Aangeboren vs aangeleerd 

Slide 12 - Slide

1.1. Gedrag
Sociaal gedrag = gedrag dat mensen vertonen ten opzichte van elkaar (in relatie tot anderen). 

Voorbeeld: Je beste vriendin post een foto met haar lief op Instagram. Jij bent een beetje jaloers, want je bent stiekem verliefd op dezelfde jongen. Je besluit om niet te reageren op die post. Jouw vriendin weet dat je het bericht hebt gezien, maar ‘bedankt’ je omdat je niet hebt gereageerd. Dit ‘niet-handelen’ zegt op zich immers heel veel.

Slide 13 - Slide

1.2. Persoonskenmerken
Het gedrag van mensen komt tot stand dankzij de continue interactie tussen verschillende persoonskenmerken en de verschillende omgevingskenmerken.

Jouw persoonlijkheid bepaalt jouw gedrag, gevoelens en gedachten.

Je persoonlijkheid bestaat uit:
- Je temperament
- Je karakter

Slide 14 - Slide

Temperament:
  • Aangeboren patroon van reacties dat jouw gedrag bepaalt
  • Van bij de geboorte aanwezig 
  • Blijft grotendeels onveranderd
Karakter:
  • Zowel aangeboren (nature) als aangeleerde eigenschappen (nurture) 
  • Ontwikkelen in de loop van het leven  
  • Resultaat van sociale interacties, ervaringen en cultuur 

Slide 15 - Slide

Slide 16 - Slide

1.3. Omgevingskenmerken
Druk van sociale situaties soms zo sterk dat iemands persoonlijkheid en persoonskenmerken er niet tegen opgewassen zijn.

Groepsdruk kan het gedrag van mensen ten goede veranderen, maar ook ten kwade. 
Vaak zijn mensen zich hiervan bewust, maar niet altijd.

Slide 17 - Slide

Sociaal gedrag
6 Gezondheidszorg - Gedragswetenschappen
Mevrouw van Loon

Slide 18 - Slide

Vorige les 
Feedback/brainstorm moment
Inleiding hoofdstuk sociaal gedrag

Slide 19 - Slide

Planning
Korte herhaling
2. Sociale rollen en sociale normen

Slide 20 - Slide

Herhaling vorige les
Sociale psychologie = bestudeert de manier waarop mensen met elkaar omgaan en elkaar beïnvloeden. 

Slide 21 - Slide

Herhaling vorige les
Gedrag: uitwendig vs inwendig - bewust vs onbewust - aangeboren vs aangeleerd

Persoonskenmerken: temperament vs karakter 

Omgevingskenmerken: soms zo sterk (groepsdruk)


Slide 22 - Slide

Slide 23 - Slide

2. Sociale rollen en sociale normen

Slide 24 - Slide

2. Sociale rollen en sociale normen

Slide 25 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Mens is flexibel: inschatting maken van de sociale situatie + eigen gedrag aanpassen

Sociale normen = regels, waarden, normen en verwachtingen die gelden in een bepaalde groep en die jouw gedrag bewust en onbewust sturen.

Slide 26 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep
Sara’s (14 jaar) ouders zijn gescheiden. Ze verblijft een week bij haar mama en een week bij haar papa. Het is soms wel moeilijk voor haar. Bij haar mama hoeft ze niets in het huishouden te doen, ze mag uitslapen en vrienden zijn altijd welkom. Haar mama vindt dat ze moet genieten van haar jonge jaren. Bij haar papa is het helemaal anders. Hij vindt dat ze verantwoordelijkheid moet opnemen. Hij verwacht dat ze meehelpt in het huishouden. Daarnaast wilt hij dat ze op tijd gaat slapen en op tijd opstaat om zo een vaste routine te hebben. Vrienden mogen komen, maar enkel in het weekend of als het schoolwerk gedaan is. ‘Dochter zijn bij mama of papa, het is complex’, zegt Sara soms tegen haar vriendin. Wat wel hetzelfde is bij mama en papa, is dat ze allebei willen dat ze op haar kleine broertje Samir (6 jaar) past als zij niet thuis zijn. Ze krijgt vaak te horen dat ze ‘grote zus’ is en dat dat erbij hoort. 

Slide 27 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Sociale positie = de positie die iemand inneemt in een bepaalde sociale situatie of relatie.

Vaak verschillende posities tegelijkertijd en vaak verbonden

Positieset = het geheel van al die sociale posities. 

Slide 28 - Slide

Slide 29 - Slide

Opdracht (p.7-8)
1) Individueel: maak een opsomming van jouw sociale posities.
Optioneel - met jouw buur: overleg en vul aan.

2) Individueel: maak een schema van jouw positieset.
Optioneel: duid aan of elke positie tijdelijk (T) of langdurig (D) is.

Slide 30 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep
Sociale rol =  een set van verwachtingen die iedereen ten opzichte van iemand heeft ten opzichte van iemand die een bepaalde sociale positie bekleedt. 

Sociale rol en sociale verwachtingen hangen vast aan de sociale positie, niet de persoon zelf!

Slide 31 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Yasmine (27 jaar) is leerkracht secundair onderwijs. De ouders van haar leerlingen verwachten van Yasmine dat ze haar vak kent, plichtsbewust is, goed kan lesgeven en met het nodige enthousiasme haar leerlingen vooruithelpt. Deze verwachtingen hebben de ouders al, zonder Yasmine persoonlijk te kennen.

Slide 32 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Een sociale positie is ‘leerling’. De sociale rol van een leerling is dat er wordt verwacht dat hij zijn taken maakt, tijdig indient, correct is, beleefd is …

Slide 33 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Sociale status = de waardering die de leden van de samenleving hebben en uitspreken voor bepaalde sociale posities die je inneemt. 

Waardering is ook gekoppeld aan de sociale positie en niet echt aan de persoon!

Slide 34 - Slide

2.1 Sociale rollen: mijn plaats in een groep

Chirurgen hebben een hogere sociale status in onze maatschappij dan winkelbedienden (of je het daar nu mee eens bent of niet).

Een burgemeester van een grote stad heeft een hogere sociale status dan een burgemeester van een klein dorpje (of je het daar nu mee eens bent of niet).

Slide 35 - Slide

Opdracht: kaartjes
In groepjes van 3 à 4: 
1) Leg de begrippen bij de juiste definities. Steek je hand op wanneer jullie klaar zijn, ik kom controleren.
2) Uitbreiding: memory  - zoek de paren (begrip + definitie).

Slide 36 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Rolgedrag = als je gedrag vertoont dat past bij jouw rol in een bepaalde sociale positie.


Slide 37 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Je loopt stage in een woonzorgcentrum. Jouw sociale positie is student-zorgkundige. Aan deze sociale positie worden onder andere de volgende verwachtingen gekoppeld: Je moet op tijd aanwezig zijn. Je bent vriendelijk tegen de bewoners. Je volgt de regels in verband met hygiëne. Je volgt de stappenplannen tijdens de verzorging. Je draagt de gepaste kledij en doet je juwelen uit. Je houdt je daar heel strikt aan, want je wilt een goede zorgkundige worden.

Slide 38 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Vertoon je rolgedrag, dan wordt dat door anderen binnen die sociale situatie gezien als positief sociaal gedrag.

Wijk je af van de verwachtingen tegenover jouw sociale rol, dan is de kans groot dat je zult botsen op rolgrenzen en op negatieve reacties van anderen.

Slide 39 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Je loopt stage in een woonzorgcentrum. Jouw sociale positie is student-zorgkundige. Aan deze sociale positie wordt onder andere de verwachting gekoppeld dat je op tijd aanwezig bent. Je neemt echter telkens de bus die slechts vijf minuten voor jouw starttijd toekomt. De bus is al drie keer drie minuten te laat toegekomen, waardoor jij ook een paar minuten te laat bent gestart. Zelf vind je dat geen probleem, je haalt dat nadien wel in. Je bent vandaag echter op het matje geroepen bij jouw stagementor. Je hebt een eerste verwittiging gekregen: kom je nog één keer te laat, dan wordt jouw school op de hoogte gesteld en dan volgt er een sanctie. Jouw stagementor vindt het een teken van respect om op tijd te beginnen en elke bewoner op tijd te kunnen verzorgen.

Slide 40 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Wijk je zodanig af van de verwachtingen dat de samenleving jou als een gevaar ziet, en vertoon je dat negatieve gedrag herhaaldelijk, dan vertoon je asociaal gedrag. 

Asociaal gedrag = een slecht functioneren in sociale rollen en wordt gekenmerkt door agressieve vormen van niet-aanpassing, zoals agressie en vijandigheid.

Slide 41 - Slide

2.1.1 Omgaan met rollen
Je bent leerling in de derde graad secundair onderwijs. Jouw sociale positie is leerling. Aan deze sociale positie wordt onder andere de verwachting gekoppeld dat je geen drugs gebruikt of verkoopt op school. Jij vindt dat onzin. Drugs zijn voor jou een teken van vrijheid. Je neemt zelf xtc-pillen en je verkoopt ze ook tijdens de speeltijd. Je vindt immers dat anderen ook recht hebben op die ‘vrijheid’. De toezichthoudende leerkracht betrapt je tijdens het verkopen van de drugs. Je zult straks naar de politie moeten gaan. Ze kunnen allemaal jouw rug op.

Slide 42 - Slide

2.1.2 Rolconflicten
Rolconflict = wanneer bij de verschillende sociale posities die je inneemt verschillende rollen horen die niet met elkaar te verzoenen zijn. 

2 soorten

Slide 43 - Slide

Intern rolconflict 
Wanneer iemand de rolverwachtingen die verbonden zijn aan één sociale positie als tegenstrijdig ervaart.

Aïsha (15 jaar) wil graag meelachen en babbelen met de andere leerlingen in de klas, maar tegelijkertijd wil ze ook opletten en goed meewerken met de leerkracht.
Extern rolconflict
Wanneer iemand de rolverwachtingen die verbonden zijn aan verschillende sociale posities als tegenstrijdig ervaart.

Femka (17 jaar) wil op zondagnamiddag graag meedoen met de andere Chiromeisjes, maar tegelijkertijd wil ze het ook goed doen als leerling en deze tijd gebruiken om te studeren. Wanneer ze haar vriendinnen een sms stuurt om te melden dat ze te veel werk heeft voor school, reageren haar vriendinnen erg gelaten. Hierdoor heeft Femka nog meer het gevoel dat ze hen in de steek laat.

Slide 44 - Slide

Opdracht (p.12)
1) Individueel: Noteer 2 eigen voorbeelden van een intern rolconflict en 2 eigen voorbeelden van een extern rolconflict.

2) In groepjes van 3 à 4: Persoon 1 leest het voorbeeld voor, de anderen raden (intern/extern). 

Slide 45 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep

Sociale normen = de impliciete (stilzwijgende) en expliciete (uitdrukkelijke) regels die een groep hanteert in verband met de positie (en dus de rollen) die je inneemt in een groep.

Slide 46 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep

Soraha (19 jaar) volgt de richting ‘Zorg en welzijn’. Ze loopt stage in een woonzorgcentrum. Soraha heeft op school geleerd dat strikte hygiëne noodzakelijk is. In de medische wetenschappen heeft men al lang geleden aangetoond wat het belang is van hygiëne voor de gezondheid. Ziekenhuizen en woonzorgcentra volgen die inzichten.

Slide 47 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep
Waarden = ideeën, opvattingen of algemene richtlijnen die een samenleving of een bepaalde groep belangrijk vindt in het leven.
Normen = concrete gedragsregels die voortkomen uit waarden. 

Eenzelfde waarde of norm kan leiden tot verschillende verwachtingen en dus ander gedrag.

Slide 48 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep

Vanuit de waarde ‘burgerzin’ vinden de ouders van Saar (17 jaar) de norm ‘Je moet je inzetten voor de maatschappij’ heel belangrijk. Ze verwachten dat Saar na haar secundair meteen aan een hogere studie zal beginnen om nadien een zinvolle job te kunnen uitvoeren. Vanuit de waarde ‘burgerzin’ vindt het lief van Saar de norm ‘Je moet je inzetten voor de maatschappij’ even belangrijk. Hij verwacht dat Saar na haar secundair meteen met hem naar Zuid-Amerika trekt om daar als vrijwilliger huizen te bouwen. Wat moet ze nu doen?

Slide 49 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep

Welk gedrag als normaal/aanvaardbaar of als abnormaal/onaanvaardbaar ervaren wordt, heeft te maken met de mate waarin dit gedrag overeenkomt of afwijkt van de heersende sociale normen en waarden van de groep of van een cultuur.

Slide 50 - Slide

2.2 Sociale normen: normen in een groep

Sociale controle = het geheel van alle beïnvloeding door de sociale omgeving op een persoon. Hierdoor wordt die persoon gedwongen om zijn gedrag aan te passen aan de groep (adhv beloningen/sancties). 

Als je bij een nieuwe groep aansluit, zoals starten in een nieuwe job of toetreden tot een groep vrienden, volgt er altijd een aanpassingsperiode

Slide 51 - Slide