Cette leçon contient 30 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 3 vidéos.
Pak je schrift en een pen. Maak de opdrachten zelfstandig en in rust.
Je mag alles nazoeken in je schrift, of je boek.
Een atoom bestaat uit een kern en daaromheen zitten elektronen in vaste banen (schillen)
In de kern zitten protonen en neutronen.
Op microniveau kijken we naar de deeltjes waar stoffen van gemaakt zijn.
De kleinste deeltjes van een stof noemen we moleculen, dus alle materie (alle stoffen) zijn gemaakt van moleculen.
Definitie:
Een molecuul is het kleinste deeltje van een stof die nog alle eigenschappen van de stof heeft.
Maar moleculen zijn ook weer opgebouwd uit bouwstenen.
Bij de scheikunde noemen we deze bouwstenen de atomen.
Er bestaan nu ongeveer 120 atoomsoorten (118) waarvan er meer dan 30 kunstmatig zijn gemaakt en alleen in een laboratorium heel kort kunnen bestaan.
Definitie:
Atomen zijn de bouwstenen van moleculen.
Deze verschillende atoomsoorten zijn gerangschikt in een tabel.
Eerst zijn de atomen op volgorde van klein naar groot gezet.
Het kleinste atoom heeft 1 proton in de kern (= waterstof) en de grootste is Oganesson (Og) en deze heeft 118 protonen in de kern.
Daarna zijn de atomen op chemische eigenschappen (hoe reageren ze met een zuur en hoe reageren ze met zuurstof) gegroepeerd. De stoffen die op dezelfde wijze reageren zijn onderelkaar gezet.
Deze kolom noemen we een groep. Zo is de tabel in 18 groepen gezet.
Ook is er gekeken hoeveel schillen met elektronen iedere stof heeft. Dit is ook bij elkaar gezet en de stoffen met evenveel schillen zitten in dezelfde regel.
Deze regel noemen we een periode.
Er zijn 7 periodes, in de eerste periode (boven aan) zitten 2 atoomsoorten, waterstof en helium.
Deze twee atoomsoorten hebben dus 1 schil (de K-schil)
Nu hebben we een tabel met het kleinste element (= atoomsoort) links boven en het grootste element rechts onder.
Iedere periode (regel) komt er een schil met elektronen bij.
Iedere groep (kolom) wil iets zeggen over de manier van reageren.
Als we alle elementen met elkaar vergelijken is er meteen één ding dat opvalt.
Bij het reageren zijn er atoomsoorten die elektronen weg doen.
En er zijn atoomsoorten die elektronen opnemen of niet reageren.
De atoomsoorten die elektronen weg doen staan aan de linkerkant van het periodieksysteem, dit noemen we de metalen.
De atoomsoorten die elektronen opnemen, of niet reageren, staan aan de rechterkant van het periodieksysteem, dit noemen we de nietmetalen.
Er zijn twee groepen van de nietmetalen die je bij naam moet kennen.
De edelgassen zijn de atoomsoorten die juist niet (of zeer moeilijk) kunnen reageren. Die staan helemaal rechts in het periodieksysteem. Dit is groep 18
Er zijn twee groepen van de nietmetalen die je bij naam moet kennen.
De groep die er naast staat (groep 17) zijn de halogenen.
De halogenen zijn nietmetalen die heel erg heftig met metalen reageren.
Bij deze reactie ontstaat altijd een zout
Neem je telefoon (of je laptop) er bij.
Ga naar lesson-up (leerling) en type de code in.
gebruik je eigen naam.
Let op per vraag heb je 10 seconde de tijd dus moet je snel reageren.
Maken van de vragen van paragraaf 3.2
Invullen van de kennenlijst deel 2 tijdens de uitleg
Leren paragraaf 3.1 en 3.2
Doornemen kunnenlijst deel 1 en deel 2
Maken samenvatting of mindmap paragraaf 3.2
Verzinnen van vragen voor de docent
-1-Noem een stof eigenschap van zout op macroniveau (zichtbare stof) en op microniveau (molecuul niveau).
-2-Maak een fasedriehoek met de faseovergangen. Noteer bij iedere fase het symbool.
-3-Wat gebeurt er met de watermoleculen in de lucht tijdens het rijpen.
Sublimeren = vervluchtigen
symbolen:
vaste stof = s (solid)
vloeistof = l (liquid)
gas = g (gaseous)
Wij gebruiken cookies om jouw gebruikerservaring te verbeteren en persoonlijke content aan te bieden. Door gebruik te maken van LessonUp ga je akkoord met ons cookiebeleid.