examentraining D

Examentraining
Domein D

1 / 32
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

Cette leçon contient 32 diapositives, avec diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 90 min

Éléments de cette leçon

Examentraining
Domein D

Slide 1 - Diapositive

Vraag en aanbod

Slide 2 - Diapositive

Verplaatsing over de lijn
Een voorbeeld:
  • aanbod van arbeid daalt (door bij voorbeeld meer parttimers) > omgevingsfactor dus verplaatsing van de aanbodlijn.

  • er ontstaat nieuwe evenwichtsprijs > prijsverandering dus verschuiving op de vraaglijn.

Slide 3 - Diapositive

Oorzaken verschuiving vraaglijn:

De vraaglijn kan naar rechts of links verschuiven als:

- een subsitutiegoed duurder of goedkoper wordt

- een complementair goed goedkoper of duurder wordt

- het inkomen / budget stijgt of daalt

- de behoeften toe- of afnemen

- Product of dienst erg in trek


Slide 4 - Diapositive

verschuiving van en langs de aanbodlijn
langs de aanbodlijn
van de aanbodlijn
prijs verandert door een verandering van de vraaglijn
inkoopkosten veranderen
aantal aanbieders veranderen
productiviteit verandert

Slide 5 - Diapositive

Evenwichtshoeveelheid/ evenwichtsprijs

Wat is de evenwichtshoeveelheid?

  • 50 stuks

Wat is de evenwichtsprijs?

  • €525

Slide 6 - Diapositive

Evenwichtsprijs en evenwichtshoeveelheid berekenen
Qa = 100P - 1000
Qv = -100P + 5000

1) Reken de evenwichtsprijs uit.
2) Reken de evenwichtshoeveelheid uit.



Uitkomst
(30, 2000)

Slide 7 - Diapositive

Marktkenmerken
Marktvormen kan je herkennen aan marktkenmerken

  • Homogeen of heterogeen product
  • Transparantie of niet
  • Toegankelijkheid
  • Het aantal vragers en aanbieders. 
  • Invloed aanbieder op de prijs

Slide 8 - Diapositive

Slide 9 - Diapositive

Slide 10 - Diapositive

Verschillende bedrijfsdoelstellingen
bij onvolkomen concurrentie
1. Break even
TO = TK
of GO = GTK
2. Maximale winst
MO=MK
3. Maximale omzet/marktaandeel
MO=0

Slide 11 - Diapositive

Opbrengst, kosten en winst

p       = prijs (price)
q       = hoeveelheid (quantity) = afzet
TO    = Totale Opbrengst = omzet
  • TO = p x q
TCK = Totale Constante Kosten 
             (onafhankelijk van q)
TVK = Totale Variabele Kosten
             (afhankelijk van q)
TK    = Totale Kosten
  • TK  = TCK + TVK
TW   = Totale Winst
  • TO - TK
Gemiddeld en marginaal

GCK = Gemiddelde Contante Kosten
  • GCK = TCK / afzet (q)
GVK = Gemiddelde Variabele Kosten
  • GVK = TVK / afzet (q)
GTK = Gemiddelde Totale Kosten
  • GTK = TK / afzet (q)
  • GTK = GCK + GVK
GO  = Gemiddelde Opbrengst
  • GO = TO / afzet (q)
MO = Marginale Opbrengst
MK  = Marginale Kosten
MW = Maximale Winst als MO = MK!

Slide 12 - Diapositive

Variabele kosten
Proportioneel variabele kosten: = variabele kosten die evenredig toenemen
Progressief variabele kosten = variabele kosten die meer dan evenredig toenemen. 
Degressief variabele kosten = variabele kosten die minder dan evenredig toenemen

Slide 13 - Diapositive

Betalingsbereidheid
De betalingsbereidheid is wat kopers
maximaal voor een product willen of
kunnen betalen.

  • als de prijs stijgt, daalt de vraag
  • als de prijs daalt, stijgt de vraag

Slide 14 - Diapositive

Factoren die een rol kunnen spelen bij de vraag
  • Prijs
  • Stand van de economie
  • Inkomen
  • Behoefte
  • Bevolkingsomvang
  • Prijzen van substitutie goederen. 
  • Prijzen van complementaire goederen. 

Slide 15 - Diapositive

complementaire  en substitutie goederen
substitutie goederen
Goederen die elkaar kunnen vervangen bij het vervullen van een behoefte. Bijvoorbeeld thee is een substituut voor koffie. 

complementaire goederen
Goederen die elkaar aanvullen. Bijvoorbeeld suiker en melk zijn complementair aan koffie. 


Slide 16 - Diapositive

Berekening prijselasticiteit

De prijselasticiteit kun je als volgt berekenen:

                                                                                                                                                                                                   Oorzaak     

                    

Ev tussen 0 en -1: inelastisch

Ev kleiner dan -1: elastisch

Ev 0 : volkomen inelastisch


Slide 17 - Diapositive

Berekening inkomenselasticiteit

De inkomenselasticiteit kun je als volgt berekenen:

                                                                                                 Gevolg    en "GO''                                                                                                   Oorzaak     

                    

Ey > 0: normale producten

Ey < 0: inferieure producten


Slide 18 - Diapositive

Consumenten- surplus
Berekenen:

Oppervlakte driehoek: 
l x b / 2

Slide 19 - Diapositive

producentensurplus

Slide 20 - Diapositive

1 misvatting
- het producentensurplus is niet gelijk aan de winst           
- producentensurplus = marktprijs - leveringsbereidheid
- constante kosten moeten nog van het producentensurplus af

- Producentensurplus = P -  MK

Slide 21 - Diapositive

wat is prijsdiscriminatie?
  • Hetzelfde product aanbieden tegen verschillende prijzen

Hoe?
  • Aan verschillende klantgroepen


  • Welke aanbieder kan prijsdiscriminatie doen?                     prijsnemer of prijszetter?

Slide 22 - Diapositive

Externe effecten
Extern effect: Een gevolg van vraag of aanbod waar geen prijs voor wordt betaald. 

Negatieve externe effecten: Extern effect waarbij de welvaart daalt.

Positieve externe effecten: Extern effect waarbij de welvaart groeit. 

Slide 23 - Diapositive

Collectieve Goederen
Collectieve goederen worden door de overheid gemaakt en zijn voor iedereen beschikbaar.
  • Politie.
  • Brandweer.
  • Leger.
  • Zorg.
  • Infrastructuur.

Slide 24 - Diapositive

marktevenwicht verstoring
Als er geen belemmeringen op de markt zijn, bepalen vraag en aanbod de prijs. Soms grijpt de overheid in en stelt minimum- of maximumprijzen.

Minimumprijzen beschermen
de producent. Maximumprijzen
beschermen de consument.
Een bekende minimumprijs
is het minimum (jeugd)loon.

Slide 25 - Diapositive

Slide 26 - Diapositive

Toezichthouders vanuit de overheid
Consument en bedrijf beschermen door onpartijdige instituten die er op toezien dat wetten en regels worden nageleefd.

- NVWA, Nederlandse Voedsel- en Waren autoriteit
- ACM, Autoriteit consument en markt
-AFM, Autoriteit financiële markten

Slide 27 - Diapositive

samen oefenen
De collectieve vraaglijn van een compacte fotocamera luidt:

Qv = -0,1P + 25
Waarbij:
Qv = gevraagde hoeveelheid in miljoen stuks per jaar
P = prijs in euro’s per toestel.
In de uitgangssituatie kost het fototoestel
 € 150.








Slide 28 - Diapositive

samen oefenen
a. Arceer het consumentensurplus in de uitgangssituatie.
b. Bereken de omvang van het consumenten surplus in de uitgangssituatie.
c. Bereken de gevraagde hoeveelheid als de prijs van het toestel met 20% wordt verlaagt.
d. Arceer de toename van het consumenten surplus die ontstaat door de prijs verlaging.
e. De producent wil graag 17 miljoen stuks per jaar verkopen. Bereken welke prijs hij in dat geval voor zijn toestel moet vragen.







Qv = -0,1P + 25
P = 150 euro

Slide 29 - Diapositive

Antwoorden

a
b. Het consumentensurplus is een driehoek.
De oppervlakte daarvan reken je uit door ½ × basis × hoogte
Oppervlakte = ½ × 10 mln. stuks × € 100 = € 500 mln.
c. De oude prijs was € 150.
20% prijsverlaging betekent een nieuwe prijs van € 120 (0,8 × 150)
Qv = -0,1P + 25
Qv = -0,1×120 + 25
Qv = 13 (miljoen stuks)
d
e. Qv = -0,1P + 25
De producent wil graag een vraag van 17 (miljoen stuks)
17 = -0,1P + 25
0,1P = 8
P = 80 ⇒ dan moet hij de prijs verlagen naar € 80.









Slide 30 - Diapositive

Samen oefenen
1. (2p) Teken de GTK lijn in bovenstaande grafiek. Stel hiervoor eerst de formule van TK en vervolgens die van GTK op.
2. (2p) Bereken bij welke prijs er sprake is van maximale omzet. Licht duidelijk toe hoe je aan je antwoord komt.
3. (2p) Bereken (dus niks aflezen!) bij welke prijs er sprake is van maximale winst. Geef dit aan in de grafiek.
4. (2p) Bereken de maximale winst.
5. (2p) Arceer de maximale winst.

Slide 31 - Diapositive

Antwoorden
a. TK = 4q + 24 en GTK = 4+24/q (1p)
q = 10  GTK = 4+24/10 = 6,4 (zie zwarte lijn in grafiek)
b. Maximale omzet als MO = 0  als q = 5 (1p)
P = -2*5+20 = 10 euro (1p)
c. Maximale winst als MO = MK
-4q+20 = 4  4q = 16  q = 4 (1p) P = -2*4+20 = 12 euro (1p)
d. TO = 4*12 = € 48
TK = 4*4+24 = € 40 (1p)
TW = 8 euro (1p)
e. Zie grafiek (rode oppervlakte)



Slide 32 - Diapositive