15. Les 4 Periode 3 Préparation PO 1 mon style

Période 3: Montre ton style !
1 / 35
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 3,4

Cette leçon contient 35 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Période 3: Montre ton style !

Slide 1 - Diapositive

Les devoirs
  • MAAK je 'page de style' af. 10 plaatjes en 10 zinnen (werkwoord, voegwoord, bijvoeglijk naamwoord)
  • MAAK A van de PO af en laat het aan mij zien voor feedback en een kleine mondeling:
  • Schrijf en vertel zoveel mogelijk over: 
  • Je naam 
  • Je woonplaats 
  • Leeftijd, geboorteplaats, geboortedatum 
  • Je sport/hobbies 
  • Je familie 
  • Huisdieren 
  • Vakantiebestemmingen 




Slide 2 - Diapositive

Les devoirs
LEER VOCABULAIRE (WOORDJES) pagina 113 nummer 1 en 2.

Slide 3 - Diapositive

SE1 
1) Unité 3: apprendre 1, 2, 3, 5, 7, 8, 9 pagina 113 tot en met pagina 116
2) Grammaire (aimer, adorer etc. + bijvoeglijk naamwoord), vocabulaire et expressions PO1 (mon style)

Herkansbaar, 5%



Slide 4 - Diapositive

Mettre - leggen, aantrekken, zetten, indoen, dekken
FR
NL
Je mets
Ik leg
Tu mets 
Jij legt
Il met
Hij legt
Nous mettons
We leggen
Vous mettez
Jullie leggen
Ils mettent
Zij leggen
J'ai mis
Ik heb gelegd

Slide 5 - Diapositive

Welke betekenissen heb je geleerd van 'mettre'?

Slide 6 - Question ouverte

Vous avez mis du sucre dans mon thé?

Slide 7 - Question ouverte

Tu mets combien de temps pour aller au collège?

Slide 8 - Question ouverte

Nous mettons la table

Slide 9 - Question ouverte

Maxime met son pantalon rouge.

Slide 10 - Question ouverte

Je mets les fleurs devant la fenêtre.

Slide 11 - Question ouverte

Tu mets le livre sur la table

Slide 12 - Question ouverte

Welke betekenissen heb je geleerd?

Slide 13 - Question ouverte

   vouloir (willen)
il/elle/on
nous
vous
ils/elles
tu
je/j'
                        veux
                    voulez
                        veut
                        veux
                  veulent
                 voulons

Slide 14 - Question de remorquage

La différence entre 'je veux' et 'je voudrais'?

Slide 15 - Question ouverte

Page de style
  • Laat zien wat jouw stijl is
  • Merken, kleding, accessoires, stijl (sportif, décontracté, classique, moderne, branché)

Slide 16 - Diapositive

Page de style
  • Check zelf: 10 plaatjes, 10 zinnen minimaal. Maak het persoonlijk!
  • Eigen zinnen, gebruik je module als basis
  • 1) In iedere zin een werkwoord: j'aime porter un jeans.
  • 2) In iedere zin een bijvoeglijk naamwoord: j'aime porter un pantalon rouge.
  • 3) In iedere zin een voegwoord: j'aime porter un pantalon rouge parce que j'adore les vêtements colorés.

Slide 17 - Diapositive

Images
zoek minimaal 10 afbeeldingen die verschillende dingen van jouw stijl laten zien. 
Download ze en plak ze in een document of print ze en plak op een vel papier

Slide 18 - Diapositive

Voegwoorden
- parce que = omdat
- mais = maar
- donc = dus
- et = en
- c'est pourquoi = daarom...

Deze voegwoorden wil ik in de zinnen terugzien

Slide 19 - Diapositive

Bijvoeglijk naamwoord
Gebruik in iedere zin een bijvoeglijk naamwoord:
- beau, belle
- sportif
- couleurs
- confortable
- etcétera

Slide 20 - Diapositive

Werkwoorden
Gebruik in iedere zin een werkwoorden, par exemple:
- aimer, adorer, préférer
- porter
- mettre
- acheter
- etcétera

Slide 21 - Diapositive

Volgorde
1) Onderwerp (Je)
2) Werkwoord(en)
3) Rest van de zin (plek, tijd, lijdend voorwerp)



Slide 22 - Diapositive

Aimer, adorer, préférer, détester
Zeggen waar je wel en niet van houdt...
1) Stam (-er)
2) Uitgang:   J'aime                     Nous aimons
                          Tu aimes                Vous aimez
                       
  Il, elle, on aime    Ils, elles aiment

Een eskimo eet ons ezeltje enthousiast

Slide 23 - Diapositive

Aimer, adorer, préférer, détester
Zeggen waar je wel en niet van houdt...

Ik houd van broeken. 
J'aime les pantalons.

Regel: Aimer, adorer, préférer, détester + lidwoord (le, la, les)

Slide 24 - Diapositive

Slide 25 - Vidéo

Ik ben dol op schoenen
A
Tu adores chaussures.
B
J'adore les chaussures.
C
Tu adores les chaussures.
D
J'adore chaussures.

Slide 26 - Quiz

Hoe zeg je: ik houd van sportieve kleding (vêtements)

Slide 27 - Question ouverte

Bijvoeglijk naamwoord in het Frans: 1) de vorm
enkelvoud
meervoud
mannelijk
le jean bleu
les jeans bleus
vrouwelijk
la robe bleue
les robes bleues

Slide 28 - Diapositive

Bijvoeglijk naamwoord in het Frans: 1) de plek
Het bijvoeglijk naamwoord staat achter het zelfstandig naamwoord:

Le jean bleu, la robe rouge, les chaussures vertes

Slide 29 - Diapositive

Bijvoeglijk naamwoord in het Frans: 1) de plek
Deze staan bijvoeglijke naamwoorden voor het zelfstandig naamwoord:

Bon - beau - joli - gros - jeune - haute - nouveau - long - petit - grand - vieux - mauvais - autre - large, (tralalala)

Slide 30 - Diapositive

Hoe zeg je: de rode broek?

Slide 31 - Question ouverte

Hoe zeg je: de blauwe jurk?

Slide 32 - Question ouverte

Hoe zeg je: de zwarte truien?

Slide 33 - Question ouverte

Slide 34 - Vidéo

Slide 35 - Diapositive