2Vab Duits, 20 maart 2024

2Vab Duits, 20 maart 2024
Quiz.
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs et diapositive de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 30 min

Éléments de cette leçon

2Vab Duits, 20 maart 2024
Quiz.

Slide 1 - Diapositive

Als de stam op een s-klank eindigt krijg je alleen bij de du-vorm (een)
A
st achter de stam
B
tst achter de stam
C
s achter de stam
D
t achter de stam

Slide 2 - Quiz

De juiste vorm van het werk woord tanzen: ihr
A
tanst
B
tanzet
C
tanzt
D
tanzst

Slide 3 - Quiz

Als de stam op een d of een t eindigt krijg je bij:
A
ich, du en ihr een extra 'e'
B
wir, ihr, Sie een extra 'e'
C
du, er/sie/es en ihr een extra 'e'
D
er/sie/es, wir en ihr een extra 'e'

Slide 4 - Quiz

Krijg je ook een extra 'e' bij het voltooid deelwoord als de stam op d of t eindigt?
A
ja
B
als het beter klinkt
C
soms
D
nee

Slide 5 - Quiz

Juiste vorm v.h. werkwoord
schneiden du

A
schneidst
B
schneidenst
C
schneist
D
schneidest

Slide 6 - Quiz

Juiste vorm v.h. werkwoord heißen:
er/sie/es
A
heißt
B
heisst
C
heist
D
heibst

Slide 7 - Quiz

Juiste vorm v.h. werkwoord
arbeiten: ich
A
arbeit
B
arbeitst
C
arbeite
D
arbeid

Slide 8 - Quiz

Juiste vorm v.h. werkwoord
reden: du
A
redst
B
redet
C
redeste
D
redest

Slide 9 - Quiz

Juiste vorm v.h. werkwoord
reisen: wir
A
reizsen
B
reisen
C
reiszen
D
reist

Slide 10 - Quiz

der Absatz
A
de afzet
B
de regel
C
de alinea
D
het lijntje

Slide 11 - Quiz

Schlagzeug spielen
A
trommelen
B
drummen
C
djembé
D
marimba

Slide 12 - Quiz

rumhängen
A
omhangen
B
ophangen
C
behangen
D
rondhangen

Slide 13 - Quiz

das Tor
A
het doel
B
de poort
C
de deur
D
de ingang

Slide 14 - Quiz

fernsehen
A
verrekijker
B
verkijken
C
televisie kijken
D
telescoop kijken

Slide 15 - Quiz

die Stunde
A
de klok
B
het uur
C
de klok rond
D
eronder

Slide 16 - Quiz

die Turnschuhe
A
de gymp
B
de turnschool
C
de gympen
D
de turner

Slide 17 - Quiz

laufen
A
joggen
B
open
C
hardlopen
D
lopen

Slide 18 - Quiz

der Schläger
A
het tennisracket
B
de slager
C
de vechter
D
de slag

Slide 19 - Quiz

mitmachen
A
meemaken
B
met maken
C
meedoen
D
meegedaan

Slide 20 - Quiz

die Freizeit
A
de tijd
B
de vrije tijd
C
de vrijheid
D
het vrije uur.

Slide 21 - Quiz

treffen
A
ontmoeten
B
geraakt
C
raken
D
moet raken

Slide 22 - Quiz

etwas unternehmen
A
de was doen
B
iets maken
C
doen
D
iets doen

Slide 23 - Quiz

die Meisterschaft
A
het kampioenschap
B
het meesterschap
C
het meesterlijke
D
het allermeeste

Slide 24 - Quiz

mittwochs
A
midden in de week
B
woensdags
C
met de week
D
woensdag

Slide 25 - Quiz

fast
A
snel
B
in de buurt
C
sneller
D
bijna

Slide 26 - Quiz

unentschieden
A
onbeslist
B
onderscheiden
C
onderscheid
D
zonder beslissing

Slide 27 - Quiz

billig - teuer
A
biljet - duur
B
toestaan - duren
C
goedkoop - zuur
D
goedkoop - duur

Slide 28 - Quiz

das Mitglied
A
de leden
B
de medegenoten
C
het lid
D
het lidmaatschap

Slide 29 - Quiz

der Ausflug
A
het uitje
B
de uitvlucht
C
de buiten vlucht
D
het uiterste

Slide 30 - Quiz

der, die, das:
Sportler
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 31 - Quiz

der, die, das:
Haus
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 32 - Quiz

der, die, das:
Feuer
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 33 - Quiz

der, die, das:
Schnee
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 34 - Quiz

der, die, das:
Monat
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 35 - Quiz

der, die, das:
Polizistin
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 36 - Quiz

der, die, das:
Verwandten
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 37 - Quiz

der, die, das:
Minute
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 38 - Quiz

der, die, das:
Wochenende
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 39 - Quiz

der, die, das:
Mädchen
A
der
B
die
C
das
D
die (mv)

Slide 40 - Quiz