leerling deels herhaling deels nieuw

Uitleg vermogen
Zie ook planner voor deze en meer filmpjes
1 / 28
suivant
Slide 1: Diapositive
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 28 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Uitleg vermogen
Zie ook planner voor deze en meer filmpjes

Slide 1 - Diapositive

Vragen
In deze schakeling zitten 3 exact dezelfde lampjes.


1. Wat is de spanning op punt 1, 2 en 3

2. Wat is de stroomsterkte op punt 1, 2 en 3
1
2
3

Slide 2 - Diapositive

Vragen
In deze schakeling zitten 3 exact dezelfde lampjes.
 Serieschakeling, spanning verdeeld zich, stroomsterkte overal even groot.

1. Wat is de spanning over het lampje 1, 2 en 3: Spanning verdeeld zich dus voor alle punten: 6/3= 2 V

2. Wat is de stroomsterkte op punt 1, 2 en 3.
Allemaal even groot: 2,4 A
1
2
3
1
2
3

Slide 3 - Diapositive

Aan de slag
1. Een huis is verdeeld in groepen. Iedere groep heeft een eigen stroomkring met een maximale stroomsterkte. De meeste groepen zijn gezekerd met een zekering van 10 Ampère; sommige hebben een zekering van 16 Ampère
Ik koop een nieuwe wasmachine. Tijdens het centrifugeren heeft deze een vermogen van 2500 Watt.
a. Leg uit op welk type groep ik deze wasmachine kan aansluiten. Bewijs dit met een berekening.
b. Bereken het maximale vermogen van een apparaat dat ik naast de wasmachine op deze groep aansluit mag hebben.




Formule
Getallen
Antwoord met eenheid

Slide 4 - Diapositive

Een manier
Manier 1:
Gegeven: U = 230V
   I = 10A of 16A
Gevraagd bereken P
Formule P=U*I
Invullen P = 230*10; P = 230*16
Berekenen P = 2300 W (bij 10A)
   P = 3680 W (bij 16A)
Conclusie 2300 Watt is te weinig, dus 10 Ampere kan niet; 16 Ampere is nodig.

Aanpak: vermogen (P) berekenen

Slide 5 - Diapositive

Een andere manier
Manier 2:
Gegeven: U = 230V
   P = 2500 W
Gevraagd bereken I
Formule P=U*I ; I = P/U
Invullen I = 2500 / 230
Berekenen I = 10,9Ampere (let op; er is afgerond!)
Conclusie 10,9 Ampere is nodig. Dus 10 is te weinig. 16 Ampere is nodig.

Aanpak: stroomsterkte (I) berekenen

Slide 6 - Diapositive

Nog één
Een zekering brandt door bij 10 Ampère.
De zekering ‘beveiligt’ een groep waarop zijn aangesloten:
• Wasmachine: 2000 Watt
• Magnetron: 800 Watt
• Frituurpan: 1500 Watt
Leg uit wat er met de zekering gebeurt als je alle apparaten tegelijkertijd aanzet.

Formule
Getallen
Antwoord met eenheid

Slide 7 - Diapositive

Manier 1: Een stroom van 10A levert een vermogen van:
Formule P = U * I
Invullen P = 230 * 10
Antwoord met eenheden P = 2300 Watt
Vergelijken 2000 + 800 + 1500 = 4300 Watt > 2300 Watt
De zekering brandt door omdat er meer dan 2300 Watt aan vermogen op aangesloten is.

Aanpak: vermogen (P) berekenen

Slide 8 - Diapositive

Andere aanpak
Manier 2:
Wasmachine: 8,7A (zie hieronder)
Formule P = U * I of I = P/U
Invullen 2000 = 230 * I of I = 2000/230
Antwoord met eenheden I = 8,70 A

Magnetron: 3,5A (berekening 800/230= 3,48 A)
Frituurpan: 6,5A (berekening 1500/230= 6,52 A)
Opgeteld levert dat een stroomsterkte op van: 8,7 + 3,48 + 6,52 = 18,7 Ampère. 
De zekering zal dus doorbranden en geen stroom meer geven aan deze groep.


Aanpak: stroomsterkte (I) berekenen

Slide 9 - Diapositive

Kortsluiting
  • Kortsluiting ontstaat meestal door een storing, oude bedrading, een kapot apparaat of elektrische draden die contact met elkaar maken. Bij kortsluiting loopt de stroom niet meer veilig door je elektrische apparaten en kan er brand ontstaan.

Slide 10 - Diapositive

Kortsluiting
  • Kortsluiting ontstaat meestal door een storing, oude bedrading, een kapot apparaat of elektrische draden die contact met elkaar maken. Bij kortsluiting loopt de stroom niet meer veilig door je elektrische apparaten en kan er brand ontstaan.

Slide 11 - Diapositive

Waarom zijn alle apparaten in huis parallel aangesloten?

Slide 12 - Question ouverte

Vermogen
Een apparaat met een klein vermogen gebruikt per seconde weinig
energie. 

Maar een apparaat met een GROOT vermogen  gebruikt per seconde veel
energie. 


Slide 13 - Diapositive

Vermogen
Hoeveel elektrische energie een apparaat per seconde verbruikt, noem je het vermogen

Afkorting: P

De eenheid van vermogen is:
Watt (W) 



Slide 14 - Diapositive

P=U*I
Het vermogen (P) hangt af van: De spanning (U)
  • Hoe meer volt (V), des te groter het vermogen in Watt (W)

Het vermogen (P) hangt ook af van: De stroomsterkte (I)
  • Hoe meer Ampere (A), des te groter het vermogen in Watt (W)
De formule is dan dus: 
P=UI

Slide 15 - Diapositive

Rekenen
Rekenen met het vermogen:


Beter:
Uit je hoofd leren

Slide 16 - Diapositive

P = U x I
P = vermogen             in watt (W)
U = spanning              in volt (V)
I = stroomsterkte      in ampère (A)

Opgave:
Op een lader van een telefoon
staat 5 V en 2 A. 
Hoe groot is het het vermogen van dit lampje?




Slide 17 - Diapositive

antwoord
Gegevens    U = 5V
                         I   = 2A
Gevraagd     Wat is het vermogen in W?
Formule        P  =   U  x I 
Uitwerking   P  =   5  x 2 =10
 Antwoord    Het vermogen is 10 W

Slide 18 - Diapositive

Energie
Zoals we al zagen is het vermogen (P) de hoeveelheid energie (E) die per seconde (s) gebruikt wordt. of te wel:


Als we dan de hoeveelheid energie willen uitrekenen is dat dus:

vermogen=tijdenergie
Energie=vermogentijd

Slide 19 - Diapositive

Energie
Belangrijk: als we het vermogen (P) invullen in W(att) en de tijd (t) in seconden (s) krijg je het energieverbruik (E) in Ws en noemen we altijd J(oule)

als we het vermogen (P) invullen in KiloWatt (kW) en de tijd (t) in uur (h) krijg je het energieverbruik (E) in Kilowattuur (kWh)

Slide 20 - Diapositive

Energieverbruik 
  • Apparaten verbruiken energie. We rekenen af  per kWh.

  • 1 kiloWatt is 1 000 Watt.                                                                                                        Kilo-Watt-uur (kWh) is de maatstaf voor elektrische energie-inhoud. 

  • Het is het gemiddeld vermogen dat verbruikt wordt gedurende één uur.              Een elektrische kachel met een maximaal vermogen van 2 kW verbruikt per uur 2 kWh       als hij maximaal aanstaat.

  • Een kWh (kilo-Watt-uur) kost ongeveer 23 cent => Maar hoe rekenen we hiermee?

Slide 21 - Diapositive

Energieverbruik
1
2
3

Slide 22 - Diapositive

E = P x t
E = energieverbruik in kilowattuur (kWh)
P = vermogen in kilowatt (kW)
t = tijd in uur (h)

Een lamp met een vermogen van 15W 
brandt de hele avond (18:00 - 23:00)
Bereken hoeveel energie de lamp verbruikt.

Slide 23 - Diapositive

Antwoord
Gegevens :    P = 15 W = 0,015 kW ; t = 23:00-18:00 = 5 uur
Gevraagd:      Hoeveel energie verbruikt de lamp  in kWh
Formule:         E = P x t
Uitwerking:    E = 0,015 x 5 = 0,075 kWh
Antwoord:       De energieverbruik van de lamp is 0,075 kWh

Slide 24 - Diapositive

Wat is de eenheid van Vermogen?

Slide 25 - Question ouverte

Samenvatting
Vermogen is hoeveelheid elektrische energie die een apparaat per seconde verbruikt!
P = U x I   (vermogen in Watt)

Energieverbruik is het gemiddelde vermogen dat verbruikt wordt gedurende één uur kWh
E = P x t   (vermogen P in kiloWatt)


Slide 26 - Diapositive

Een apparaatje van 10 W is aangesloten op het batterij van 10 V. Hoe groot is de stroomsterkte door het apparaat?

Slide 27 - Question ouverte

Een beamerlamp heeft een vermogen van 200 W. De beamer kan ongeveer 4000 uur branden. Hoeveel energie kost het om de lamp helemaal op de branden?

Slide 28 - Question ouverte