NN7 - Spelling §5 - Woorden korter schrijven - 3H

Woorden korter schrijven
NN7 - Spelling §5 - 3H
1 / 26
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 26 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 25 min

Éléments de cette leçon

Woorden korter schrijven
NN7 - Spelling §5 - 3H

Slide 1 - Diapositive

Wat je gaat leren

  • Je leert op welke manieren woorden korter kunnen worden geschreven.

Slide 2 - Diapositive

Bekijk deze zin:

Op de havo had zij C&M gekozen. Na haar examen wilde ze een hbo-studie gaan doen. Daar had ze zich z.s.m. voor aangemeld en het is gelukt: ze doet nu de pabo.

Slide 3 - Diapositive

Bekijk deze zin:

Op de havo had zij C&M gekozen. Na haar examen wilde ze een hbo-studie gaan doen. Daar had ze zich z.s.m. voor aangemeld en het is gelukt: ze doet nu de pabo.

Deze zin staat vol met afkortingen om woorden korter te schrijven. Maar wanneer gebruik je nu punten of hoofdletters?

Slide 4 - Diapositive

Soms is het handig om woorden niet voluit te schrijven. Je kunt er ruimte mee besparen en het levert tijdwinst op, je hoeft namelijk minder te schrijven.

Slide 5 - Diapositive

Je kunt woord(groep)en op vijf manieren korter schrijven. Ik ga je die vijf manieren laten zien: 

een afkorting, een letterwoord, een initiaalwoord, een verkorting en een symbool.

Slide 6 - Diapositive

Een afkorting is de weergave van een woord(groep) met een beperkt aantal letters, die je uitspreekt als het oorspronkelijke woord.
Een afkorting schrijf je met een of meer punten. Je gebruikt een hoofdletter als die ook in het oorspronkelijke woord voorkomt:

enz. (enzovoort), t.b.v. (ten behoeve van), H.K.H. (Hare Koninklijke Hoogheid), z.s.m. (zo snel mogelijk)

Slide 7 - Diapositive

Een letterwoord bestaat uit de eerste letters van een naam of woordgroep. Je spreekt het uit als een woord. Je schrijft een letterwoord zonder punten en je gebruikt een hoofdletter als die ook in het afgekorte woord voorkomt:

– NAVO (Noord-Atlantische Verdragsorganisatie, spreek uit: naavoo, niet: en/aa/vee/oo), yup (young urban professional, spreek uit: yup, niet: i-grec/uu/pee).

Slide 8 - Diapositive

Een initiaalwoord wordt gevormd volgens dezelfde regels als een letterwoord, maar in tegenstelling tot een letterwoord spreek je het uit als losse letters:

– ANWB (Algemene Nederlandse Wielrijdersbond), pc (personal computer), NS (Nederlandse Spoorwegen)

Slide 9 - Diapositive

Een verkorting is opgebouwd uit een of meer (delen van) lettergrepen. Je spreekt een verkorting uit als een woord:

– doka (donkere kamer), Benelux (België, Nederland, Luxemburg).

(Niet te verwarren met afkorting...!)

Slide 10 - Diapositive

Een symbool is een notatie van een wetenschappelijk begrip, een eenheid of een valuta. Je spreekt een symbool uit als het woord waar het voor staat.
De schrijfwijze is nationaal of internationaal afgesproken. Dit geldt ook voor het gebruik van hoofdletters of kleine letters. Een symbool schrijf je zonder punt:

– β (bèta), km (kilometer), £ (Britse pond).
Bij sommige eenheden wordt in technische en wetenschappelijke teksten een symbool gebruikt, zoals gram (g) en seconde (s), en in andere teksten een afkorting:
– 20 gr. (twintig gram), 5 sec. (vijf seconden).

Slide 11 - Diapositive

Noteer tot welke categorie dit behoort:

A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
symbool

Slide 12 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
aso
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
symbool

Slide 13 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
blz.
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
symbool

Slide 14 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
horeca
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
initiaalwoord

Slide 15 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
m.a.w.
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
initiaalwoord

Slide 16 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
m.n.
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
initiaalwoord

Slide 17 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
tv
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
initiaalwoord

Slide 18 - Quiz

Noteer tot welke categorie dit behoort:
vip
A
afkorting
B
verkorting
C
letterwoord
D
initiaalwoord

Slide 19 - Quiz

Wat is de juiste afkorting van
Nederlandse Spoorwegen?

Slide 20 - Question ouverte

Wat is de juiste afkorting van
extra large?

Slide 21 - Question ouverte

Wat is de juiste afkorting van
Albert Heijn?

Slide 22 - Question ouverte

Wat is de juiste afkorting van
met medewerking van?

Slide 23 - Question ouverte

Wat is de juiste afkorting van
United States of America?

Slide 24 - Question ouverte

Wat is de juiste afkorting van
seksueel overdraagbare aandoeningen? (meervoud!)

Slide 25 - Question ouverte

Ga nu naar de digitale methode en maak de opdrachten die ik in de planning heb klaargezet.

Slide 26 - Diapositive