Opdrachten blz 101 Zorg dat je 14
bloemen maakt
1 bloem: 5
2 bloemen:1,2,3,4,6,7
3 bloemen : 7
Gestroomlijnd: de weerstand tussen het dier en het water is zo min mogelijk. Zo gebruiken ze zo min mogelijk energie.
Schutkleuren: lichtere buik zodat ze van onder en bovenaf minder opvallen voor roofdieren.
Landzoogdieren: zoogdieren die op het land leven. Hun poten, vacht en oren zijn aangepast.
Zoolgangers lopen op hun hele voetzool. Teengangers lopen op hun tenen. Hoefgangers lopen op de toppen van hun tenen.
Steltlopers kunnen met hun lange poten droog blijven in ondiep water. De tenen zijn lang waardoor de vogel niet wegzakt.
Roofvogels kunnen met hun poten hun prooi vastpakken.
Zangvogels kunnen met hun poten takken omklemmen.
Watervogels kunnen met hun poten (zwemvliezen) peddelen.
Steltlopers kunnen met een priemsnavel bodemdiertjes uit de grond prikken.
Roofvogels kunnen niet een haaksnavel een prooi in stukken scheuren.
Zangvogels kunnen met een kegelsnavel harde zaden kraken.
Zangvogels kunnen met een pincetsnavel insecten vangen.
Watervogels kunnen met een zeefsnavel plantjes en diertjes uit het water zeven.