Grammatica woordsoorten les 3

Nederlands
Lezen
Grammatica woordsoorten
1 / 19
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 19 diapositives, avec quiz interactif et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

Nederlands
Lezen
Grammatica woordsoorten

Slide 1 - Diapositive

Lezen

Slide 2 - Diapositive

Woordsoorten: p/f-toets

Slide 3 - Diapositive

werkwoorden
Een werkwoord kan in verschillende vormen in je zin terugkomen:

brengen > infinitief (hele werkwoord)
bracht > verleden tijd (of in een andere tijd)
gebracht > voltooid deelwoord

Slide 4 - Diapositive

lidwoorden
de, het, een

Let op: 'een' en niet 'één'
'het' van 'het huis' is wel een lidwoord, 'het' van 'het regent' niet

Slide 5 - Diapositive

zelfstandig naamwoorden
Een zelfstandig naamwoord gebruik je voor:

mensen en eigennamen (man, Jan)
dieren (olifant, muizen)
dingen (tafel, regenpijp)

Slide 6 - Diapositive

Bijvoeglijk naamwoorden
Deze zeggen iets over een zelfstandig naamwoord.

De nieuwe Netflix-serie. 
znw (zelfstandig naamwoord): Netflix-serie
bnw (bijvoeglijk naamwoord): nieuwe

Het bnw kan voor een znw staan, maar ook erna. 

Slide 7 - Diapositive

Voorzetsels 
Waarin, waardoor, waarmee, waaronder?

... de kast 

Maar ook richtingen, 'met', 'van' en 'na'

Slide 8 - Diapositive

Persoonlijk voornaamwoord
Verwijst naar een persoon of een groep mensen zonder een naam te noemen. 

Slide 9 - Diapositive

Bezittelijk voornaamwoord
                 Geeft een bezit aan. 

                                  Heb je jouw fiets op slot gezet?
       je: persoonlijk
         jouw: bezittelijk

Slide 10 - Diapositive

Ontleed onderstaande zin en benoem de werkwoorden, lidwoorden, zelfstandig naamwoorden, bijvoeglijk naamwoorden, persoonlijk en bezittelijk voornaamwoorden en voorzetsels.


Heb jij in je kamer de spellingregels aan de muur hangen?

Slide 11 - Question ouverte

Wederkerend voornaamwoord
Altijd in combinatie met een wederkerend werkwoord

Wederkerend > keert weder > komt terug: 
Ik schaam me voor deze blunder. 

Slide 12 - Diapositive

Wederkerend of wederkerig? 
Wederkerend: me, je, u, zich, ons
Hij schaamt zich.
Ik schaam me.

Wederkerig: elkaar
Zij willen elkaar niet uit het oog verliezen. 

Slide 13 - Diapositive

voegwoord
voegt woorden of zinnen aan elkaar

'maar', 'en', 'of', 'omdat', 'als' etc.

Slide 14 - Diapositive

Vragend voornaamwoord
Vraagt naar personen of dingen:

wie, wat, welke, wat voor (een)


Slide 15 - Diapositive

Aanwijzend voornaamwoord
wijst iets aan

Er zijn er zeven: deze, die, dit, dat, zulk(e), zo'n, dergelijk(e)

Ik vind deze winkel heel leuk. 
Heb jij ooit zo'n jas gekocht?

Slide 16 - Diapositive

Betrekkelijk voornaamwoord
Verwijst terug naar een woord of woordgroep ervoor.

die, dat, wie, wat

Het meisje dat daar loopt, zit bij mij op school.

Slide 17 - Diapositive

Schrijf de volgende zinnen op en benoem de woorden.
Welke chocoladereep heb jij aan je beste vriend en vriendin gegeven?
Dat meisje dat bij jou in de klas zit, woont bij mij om de hoek.

Werkwoord
Lidwoord
Zelfstandig naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
Voorzetsel
Persoonlijk voornaamwoord
Bezittelijk voornaamwoord
Wederkerend en wederkerig voornaamwoord
Vragend voornaamwoord
Voegwoord
Aanwijzend voornaamwoord
Betrekkelijk voornaamwoord

Slide 18 - Diapositive

Oefenen woordsoorten
morgen, dinsdag 18 februari: toets 

Slide 19 - Diapositive