Geschiedenis Carnaval + quiz

Carnaval 
1 / 45
suivant
Slide 1: Diapositive
GeschiedenisMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 1-6

Cette leçon contient 45 diapositives, avec quiz interactifs, diapositives de texte et 2 vidéos.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

Carnaval 

Slide 1 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Carnaval
Carnaval

Slide 2 - Carte mentale

Cet élément n'a pas d'instructions

Carnaval is ...
A
Leuk
B
Stom
C
Geen idee, nog nooit gevierd.
D
Ik ben gewoon blij dat het vakantie is

Slide 3 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Slide 4 - Vidéo

Cet élément n'a pas d'instructions

Korte geschiedenis
  • Katholiek feest, vooraf de periode van het vasten. 
  • In februari of maart plaatsvindt: datum hangt af van Pasen (7 weken voor Pasen)
  • Nog even feesten voordat de vastentijd begint. 
  • De vastentijd is een tijd van matiging, eenvoud en bezinning.

Slide 5 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Korte geschiedenis
  • Officieel van zondag tot en met dinsdag.         (in veel steden op zaterdag al een carnavalsoptocht)
  • Dinsdag heet vette dinsdag (dan mocht je nog even lekker veel en vet eten voordat het vasten begon) 
  • Woensdag na het carnaval heet Aswoensdag. (Vroeger ging iedereen dan naar de kerk om een askruisje te gaan halen) 

Slide 6 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

De naam

- Van 'Carnevale': Latijn voor 'vaarwel vlees' .
Tijdens de vastentijd at men geen vlees. 


- 'Carrus Navalis'. Latijn voor 'scheepswagen'. 
Een schip op wielen met narren die de mensen
belachelijk maakten. 

Slide 7 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Slide 8 - Vidéo

Cet élément n'a pas d'instructions

Ronde 1: witte gij 't?
  • weetjes rondom carnaval
  • je krijgt een aantal meerkeuzevragen

Slide 9 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Wat betekent het woord carnaval?
A
Vaarwel feest
B
Vaarwel bier
C
Vaarwel vlees
D
Vaarwel

Slide 10 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Vanuit welke tijd stamt het oorspronkelijke carnaval?
A
middeleeuwen
B
renaissance
C
prehistorie
D
verlichting

Slide 11 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Wat is de achterliggende gedachte van carnaval?
A
de omgekeerde wereld beleven
B
reden om je te vergrijpen aan een ander
C
jaarlijkse zuippartij
D
laatste keer zondigen voor het vasten

Slide 12 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Hoelang duurde carnaval oorspronkelijk?
A
vier dagen: zaterdag tot en met dinsdag
B
drie dagen: zondag tot en met dinsdag
C
twee dagen: maandag en dinsdag
D
één dag: dinsdag

Slide 13 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Wanneer start carnaval?
A
11 weken na Kerstmis
B
11 weken voor Hemelvaart
C
49 dagen voor Pasen
D
49 dagen na Kerstmis

Slide 14 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

wat zijn de carnavalskleuren
A
rood wit blauw
B
rood geel groen
C
blauw geel wit
D
oranje geel groen

Slide 15 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Hoe noem je de woensdag na carnaval
A
Kruisjeswoensdag
B
Haringhapwoensdag
C
Aswoensdag
D
Waswoensdag

Slide 16 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Welke periode komt na carnaval?
A
Uitkateren
B
Bidden
C
Vasten
D
Naar de kerk gaan

Slide 17 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Hoe lang duurt de vastenperiode?
A
30 dagen
B
40 dagen
C
45 dagen
D
60 dagen

Slide 18 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Met welk feest wordt de vastenperiode afgesloten?
A
Pasen
B
Hemelvaart
C
Pinksteren
D
Kerst

Slide 19 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Wat is de symboliek van het getal 11?
A
de 11/11 is 11 weken voor carnaval
B
de 11/11 is het startschot voor carnaval
C
11 is het gekkengetal
D
er waren 11 apostelen in de Bijbel

Slide 20 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Waarom krijgt de Raad van elf de sleutel van de stad?
A
vanwege de sociale omkering
B
de burgemeester heeft dan vrij
C
om aan te geven dat het carnaval is
D
de Raad van elf krijgt het gezag over de stad

Slide 21 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Waarom verkleedt men zich met carnaval?
A
om onherkenbaar te zijn
B
vanwege de sociale omkering
C
om de ander angst aan te jagen
D
vanwege de gelijkheid

Slide 22 - Quiz

Cet élément n'a pas d'instructions

Ronde 2: ken uw omgeving
Je krijgt een aantal plaatsen te zien met de carnavalsnaam. 
Noteer de 'normale' naam van deze stad.
Je krijgt steeds 20 seconden de tijd.

Slide 23 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Krabbegat

Slide 24 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Paplaand

Slide 25 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Altere

Slide 26 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Strienestad

Slide 27 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Grôôt Pesôôt

Slide 28 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Puitelaand

Slide 29 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Wjeeldrecht
(... en ....)

Slide 30 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

'T SANEGAT

Slide 31 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

DE STROAT

Slide 32 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

TULLEPETAONESTAD

Slide 33 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

PEELOOFDURP

Slide 34 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Ronde 3: muziekronde
Maak de zin van het liedje af

Slide 35 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions

Het feest kan beginnen
Er staat een paard in de gang (daar staat-ie)
Ja, ja, een paard in de gang (o, o!)
O, o, een paard in de gang bij buurvrouw .....
Blijf de glazen vullen met nog meer alcohol
We zijn niet meer te houden, gooi de vrouwkes lekker vol
Zitten, hangen, liggen, zo zijn wij niet getrouwd
Allemaal van links naar rechts, ...
Weet je wat ik wel zou willen zijn
Een bloemetjesgordijn een bloemetjesgordijn
Van het plafond tot ...
Ja, Tada!
We doen het overal
Maar het meest ...
Dat is de nieuwe rage
(Kontebonke)
Je ziet het overal
(Kontebonke)
De beste ...
Ik heb een gerecht met ...., maar hoemoes da ok alweer?
Hoemoes da ok alweer? Hoemoes da ok alweer?
As ’n zeepèèrd gaan ik op en neer
As ’n vis in ’t water één en weer
Nim d’n plons en -up- mè d’éél de meut
Kopke n’onder ....
Wat heb je geleerd over carnaval?
Wat heb je geleerd over carnaval?

Slide 44 - Question ouverte

Cet élément n'a pas d'instructions

Slide 45 - Diapositive

Cet élément n'a pas d'instructions