Grammatica test unit 6

Grammatica test unit 6
In deze Lesson Up ga je kijken of je weet wat je moet doen bij elk stukje grammatica
1 / 11
suivant
Slide 1: Diapositive
EngelsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 3

Cette leçon contient 11 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 25 min

Éléments de cette leçon

Grammatica test unit 6
In deze Lesson Up ga je kijken of je weet wat je moet doen bij elk stukje grammatica

Slide 1 - Diapositive

Voltooid tegenwoordige tijd: present perfect
A
am of are of is met werkwoord met -ing
B
have of has met verledentijd
C
have of has met voltooid deelwoord
D
ontkennend

Slide 2 - Quiz

Present perfect
Have of has met voltooid deelwoord
Bij he/she/it krijg je has
bij I, you, we, they krijg je have
Voltooid deelwoord maak je door er -ed achter te zetten of je moet de eigen vorm gebruiken
I have worked all day.
He has bought a new car.

Slide 3 - Diapositive

Bijwoorden
Het bijwoord staat....
A
vooraan de zin
B
achteraan de zin
C
voor het belangrijkste werkwoord
D
na am, are, is, was en were

Slide 4 - Quiz

Bijwoorden
Het bijwoord komt altijd na am, are, is, was of were.
Scan dus eerst of 1 van deze woordjes in de zin staat.
Is er geen am, are enz dan zoek je het belangrijkste werkwoord op en dan zet je het bij woord er voor.
I am always late.
I never eat fish.

Slide 5 - Diapositive

Bezit: 's/ '/ of
A
bij meervoud gebruik je 's
B
bij mensen gebruik je 's
C
bij dingen of plaatsen gebruik je of
D
je gebruikt from

Slide 6 - Quiz

bezit
Als iets van een mens of dier is gebruik je 's
My dad's car.
Als iets hoort bij een ding of plaats gebruik je of
The title of the book
The capital of sweden.
LET OP!  The pupils' parents. achter een meervouds s komt alleen een '

Slide 7 - Diapositive

Moeten: have to
A
have to betekent moeten
B
don't have to betekent niet mogen
C
have to betekent hebben
D
dont have to betekent niet hoeven

Slide 8 - Quiz

Moeten: have to
Have to betekent moeten (verplicht)
Na have to komt een heel werkwoord
We have to go now.
Don't have to betekent niet hoeven
Ook na don't have to komt een heel werkwoord.
You don't have to listen to him.

Slide 9 - Diapositive

Korte vraagjes: tags
A
Als de zin+ is, dan is de tag ook +
B
Als de zin - is dan is de tag +
C
Als de zin - is dan is de tag ook -
D
Als de zin + is dan is de tag -

Slide 10 - Quiz

Korte vraagjes: Tags
Denk aan de batterij regel!
Als de zin bevestigend (+) is dan is de tag ontkennend (-)
Als de zin ontkennend (-) is dan is de tag bevestigend (+)
He is very nice, isn't he?
Mary can't come to the party, can she?
LET OP! Als er geen hulp werkwoordje in de zin staat dan gebruik je don't of doesn't of didn't
We like icecream, don't we?
He listens to hip hop, doesn't he?
You went to the cinema, didn't you?

Slide 11 - Diapositive