Het bijwoord & de Vergelijkingen

1 / 35
suivant
Slide 1: Diapositive
FransMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

Cette leçon contient 35 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Slide 1 - Diapositive

Het bijvoeglijk naamwoord
- Wat is het bijvoeglijk naamwoord?
- Wat is de regel?
- Welke bijzondere gevallen zijn er?
- Wat is de PLAATS en VORM van het bijvoeglijk naamwoord?


Slide 2 - Diapositive

Uitzonderingen
joli/grand/petit/bon/bonne/
beau/belle/nouveau...
/nouvelle/vieux/vieille



Slide 3 - Diapositive

(interessant = intéressant)
C'est un .............. film ...............
A
un film intéressant
B
un intéressant film
C
un film intéressante
D
un intéressante film

Slide 4 - Quiz

(sportief = sportif)
Ce sont des ...............garçons ...............
A
des garçons sportif
B
des sportifs garçons
C
des garçons sportifs
D
de garçons sportives

Slide 5 - Quiz

Wat is het verschil?
Il skie bien.
C'est un bon skieur.
Tekst

Slide 6 - Question ouverte

een bijwoord zegt iets van: 
 
1. een bijvoeglijk naamwoord
2. een werkwoord
3. een ander bijwoord
4. een hele zin

Slide 7 - Diapositive

In het Nederlands is er geen aparte vorm voor het bijwoord:

Dat is een goed boek. --> bijvoeglijk naamwoord

Hij zingt goed. --> bijwoord

Slide 8 - Diapositive

Onregelmatige vormen

Onderstaande bijvoeglijk naamwoorden hebben een onregelmatige vorm voor het bijwoord:

Bijv.Nw                - Bijwoord                                  - Vertaling bijwoord

bon                           bien                                                goed, lekker

meilleur                  mieux                                             beter, lekkerder

mauvais                  mal                                                  slecht

long                          longtemps/longuement        lang

rapide                      vite/ rapidement                        snel

Slide 9 - Diapositive

Paul est activement recherché
Malheureusement, nous ne pouvons pas aller en vacances
Elle a très mal joué
Sophie est vraiment fatiguée
Joseph est un garçon super sympa!

Slide 10 - Question de remorquage

extrêmement, typiquement, vraiment, heureusement...
Hoe maak je een bijwoord in het Frans?

Slide 11 - Carte mentale

Wat is het bijwoord van "sportif"
A
sportifment
B
sportifement
C
sportivement
D
sportivment

Slide 12 - Quiz

Goed of fout?
Il parle poliment
A
Goed
B
Fout

Slide 13 - Quiz

Goed of fout?
Je parle bon français
A
Goed
B
Fout

Slide 14 - Quiz

Goed of fout?
Il roule lentment
A
Goed
B
Fout

Slide 15 - Quiz

Goed of fout?
C'est un bon chanteur.
A
Goed
B
Fout

Slide 16 - Quiz

Goed of fout?
il joue mal.
A
Goed
B
Fout

Slide 17 - Quiz

Welk woord is géén bijwoord?
A
rapidement
B
bien
C
gratuit
D
longtemps

Slide 18 - Quiz

Maak van "doux" een bijwoord.
A
douce
B
douxment
C
doucement
D
douxement

Slide 19 - Quiz

Wat is het bijwoord van bon?
A
bien
B
bonnement
C
bonment
D
bienment

Slide 20 - Quiz

Si tu travailles ………………….., tu vas avoir une bonne note. ​

A
mieux
B
meilleur
C
bon
D
bonne

Slide 21 - Quiz

De vergrotende trap 
De vergrotende trap van een bijvoeglijk naamwoord maak je door plus (+), moins (-) of aussi (=) voor een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord te zetten. 
Elle est plus longue que sa soeur. = Zij is langer dan haar zus.
Il est moins fort que son frère. = Hij is minder sterk dan zijn broer.
Ils jouent aussi bien que moi. = Zij spelen net zo goed als ik. 
'Als' en  'dan' in een vergelijking vertaal je met 'que'.

Slide 22 - Diapositive

Ma tante est.........................(minder aardig dan) mon oncle.
A
moins gentil que
B
moins gentille que
C
plus gentil que
D
plus gentille que

Slide 23 - Quiz

Notre maison en France est ........(kleiner dan) notre maison aux Pays Bas.
A
moins petit que
B
moins petite que
C
plus petit que
D
plus petite que

Slide 24 - Quiz

Il est plus doué que Julien
A
Hij is talentvoller
B
Hij is minder talentvol
C
Hij is net zo talentvol

Slide 25 - Quiz

Cette voiture est (net zo snel) qu'un train
A
plus vite que
B
aussi vite que
C
moins vite que

Slide 26 - Quiz

De overtreffende trap 
De overtreffende trap maak je door le plus (++), la plus (++), les plus (++) of le moins (--), la moins (--), les moins (--) voor een bijvoeglijk naamwoord of bijwoord te zetten.
Elles sont les plus sportives. =  Zij zijn het sportiefst.
Ma mère est la plus gentille. = Mijn moeder is het aardigst. 
Milan court le moins vite. = Milan rent het minst snel.


Slide 27 - Diapositive

Hoe maak je in het Frans de overtreffende trap?
A
Plus + bijvoeglijk naamwoord
B
Super + bijvoeglijk naamwoord
C
Le/La/Les plus + bijvoeglijk naamwoord
D
Moins + bijvoeglijk naamwoord

Slide 28 - Quiz

Jean is het moedigst
A
Jean est le moins courageux
B
Jean est plus courageux.
C
Jean est le plus courageux.

Slide 29 - Quiz

mijn vrienden zijn het grappigst
A
Mes amis sont les plus amusants
B
mes amis sont plus amusants
C
Mes amis sont le plus amusants

Slide 30 - Quiz

Het mooiste cadeau
A
Le plus beau cadeau
B
Le cadeau le plus beau
C
Le meilleur cadeau
D
Le cadeau meilleur

Slide 31 - Quiz

De interessantste uitzending
A
L'émission intéressante la plus
B
L'émission la plus intéressante.
C
L'émission plus intéressante.
D
L'émission le plus intéressant.

Slide 32 - Quiz

Zet in de overtreffende trap:
Elle est sérieuse.

Slide 33 - Question ouverte

Vertaal de zin:
Elle est moins créative que son frère.

Slide 34 - Question ouverte

Zet het bijvoeglijk naamwoord in de overtreffende trap - het aardigste
Eva est .... de mes copines. (sympa)

Slide 35 - Question ouverte