TaalCompleet A1 - thema 5 - 5.12 Naar de apotheek

5.12 Naar de apotheek
  1. de pil
  2. de zalf
  3. de druppels
  4. het doosje
  5. innemen
  6. de huid 
  7. smeren
  8. de drogist
  9. daar
  10. dagelijks
  11. de keer
  12. sommige
1 / 29
suivant
Slide 1: Diapositive
NT2ISK

Cette leçon contient 29 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

5.12 Naar de apotheek
  1. de pil
  2. de zalf
  3. de druppels
  4. het doosje
  5. innemen
  6. de huid 
  7. smeren
  8. de drogist
  9. daar
  10. dagelijks
  11. de keer
  12. sommige

Slide 1 - Diapositive

Naar de apotheek met een recept
Er zijn verschillende medicijnen: pillen, zalf en druppels.
Op het doosje staat hoe je het moet gebruiken.

Slide 2 - Diapositive

Medicijnen zonder recept
Je kunt sommige medicijnen kopen zonder recept.
Je gaat dan naar de drogist, de supermarkt of de apotheek.

Slide 3 - Diapositive

de pil
  • geneesmiddel in de vorm van schijfje of bolletje

  • de pil - de pillen

  • zin: Je moet die pillen innemen, zegt de dokter.

Slide 4 - Diapositive

de zalf
  • op je huid smeren
  • de crème

  • de zalf - de zalven

  • zin: Deze zalf is voor droge lippen.

Slide 5 - Diapositive

de druppel
  • klein bolletje van een vloeistof

  • de druppel - de druppels

  • zin: Dagelijks één druppel in je oog doen.

Slide 6 - Diapositive

het doosje
  • het doosje - de doosjes

  • zin: Op het doosje staat hoe je het medicijn moet innemen.

Slide 7 - Diapositive

innemen (ww)
  • door het keelgat naar binnen laten gaan

  • inslikken

  • scheidbaar werkwoord
  • Ik neem ..  in
  • Jij neemt .. in - Neem jij ... in?
  • Hij neemt ... in
  • Wij nemen ... in

  • zin: Hij neemt zijn pillen elke dag in.

Slide 8 - Diapositive

de huid
  • vel 

  • zin: Mijn huid is verbrand door de zon.

Slide 9 - Diapositive

smeren (ww)
  • Ik smeer
  • Jij smeert - Smeer jij?
  • Hij smeert
  • Wij smeren

  • zin: Ik smeer de zalf op mijn elleboog.

Slide 10 - Diapositive

de drogist
  • de drogist - de drogisten

  • zin: Bij de drogist koop ik paracetamol en make-up.

Slide 11 - Diapositive

daar
  • op die plaats

  • daar (ver weg) <-> hier (dichtbij)

  • zinnen: 
  • De apotheek is daar.
  • De drogist is hier.

Slide 12 - Diapositive

dagelijks
  • elke dag

  • zin: Ik ga dagelijks naar de supermarkt.

Slide 13 - Diapositive

de keer
  • elk moment waarop het gebeurt

  • zin: Ik neem de pillen twee keer per dag.

Slide 14 - Diapositive

sommige
  • vrij kleine hoeveelheid 
  • niet veel

  • zin: Sommige mensen zijn vaak ziek.

Slide 15 - Diapositive

Wat is het meervoud van 'de pil'?
A
de pils
B
de pillen
C
de pilen
D
het pillen

Slide 16 - Quiz

Wat is een ander woord voor 'de zalf'?
A
de pil
B
de crème
C
de druppels
D
de hoestdrank

Slide 17 - Quiz

Dagelijks één ... in je oog doen.

Slide 18 - Question ouverte

Wat is het meervoud van 'het doosje'?
(lidwoord + woord)

Slide 19 - Question ouverte

Maak een zin met het werkwoord
'innemen'.

Slide 20 - Question ouverte

Heb jij je ... weleens verbrand in de zon?

Slide 21 - Question ouverte

Ik ... de zalf op mijn gezicht.
(smeren)
A
smeert
B
smeren
C
smeer
D
smer

Slide 22 - Quiz

Bij de ... koop ik paracetamol en make-up.

Slide 23 - Question ouverte

Wat is het tegenovergestelde van
'daar'?
A
mier
B
keer
C
bier
D
hier

Slide 24 - Quiz

Ik ga vijf ... per week naar de sportschool.

Slide 25 - Question ouverte

Ik drink ... acht glazen water.
A
dagelijks
B
keer

Slide 26 - Quiz

... mensen zijn vaak ziek.

Slide 27 - Question ouverte

Filmpjes kijken
Welke woorden ken jij nog niet?
Schrijf de woorden op!

Slide 28 - Diapositive

5.7 Naar de dokter
  1. ziek
  2. de dokter
  3. het medicijn
  4. de apotheek
  5. het ziekenhuis
  6. het probleem
  7. Ik heb last van ...
  8. soms
  9. halen
  10. ander
  11. bijvoorbeeld








Slide 29 - Diapositive