Leesvaardigheid les 14, 15 en 16

Welkom!
Ga rustig zitten en pak alvast je schrift en een pen erbij.


Wat gaan we vandaag doen?


Les 14: Tekstdoelen en les 15:Tekstverbanden
1 / 37
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 1

Cette leçon contient 37 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Welkom!
Ga rustig zitten en pak alvast je schrift en een pen erbij.


Wat gaan we vandaag doen?


Les 14: Tekstdoelen en les 15:Tekstverbanden

Slide 1 - Diapositive

Eerst nog even terug naar de vorige les...

Slide 2 - Diapositive

Welke drie leesstrategieën ken je nog?

Slide 3 - Question ouverte

Je leest de titel, inleiding en tussenkopjes.

Dit noemen we:
A
Globaal lezen
B
Zoekend lezen
C
Nauwkeurig lezen

Slide 4 - Quiz

Je leest een tekst omdat je informatie nodig hebt om iets uit te voeren.

Je gebruikt deze leesmanier:
A
Globaal lezen
B
Zoekend lezen
C
Nauwkeurig lezen

Slide 5 - Quiz

Leesstrategieën
Globaal lezen
Je leest globaal: als je snel wilt weten waar een tekst over gaat
Lees de titel, inleiding en tussenkopjes
Bekijk de afbeeldingen en lees de eerste en laatste zinnen

Zoekend lezen
Je leest zoekend: als je meer wilt weten over een onderwerp of het antwoord op een vraag zoekt
Gebruik trefwoorden/zoekwoorden
Bekijk eerst de inhoudsopgave, titel, tussenkopjes en afbeeldingen

Nauwkeurig lezen
Je leest de tekst nauwkeurig: als je informatie nodig hebt om iets uit te voeren of als je een samenvatting moet maken
Je leest de hele tekst van begin tot eind
Let op signaalwoorden!



Slide 6 - Diapositive

Welkom!
Ga rustig zitten en pak alvast je schrift en een pen erbij.


Wat gaan we vandaag doen?


Les 14: Tekstdoelen en les 15:Tekstverbanden

Slide 7 - Diapositive

Lesdoelen van vandaag


Je leert welke verschillende doelen een schrijver kan hebben met een tekst

Slide 8 - Diapositive

timer
0:30
Wat weet je (nog) over tekstdoelen en tekstverbanden?

Slide 9 - Carte mentale

Mogelijke tekstdoelen kunnen zijn:
  • Informeren 
  • Instrueren
  • Overtuigen
  • Overhalen
  • Amuseren

Slide 10 - Diapositive

Informeren
- de schrijver wil je iets leren
- informatieve tekst
- alleen maar feiten (geen meningen)
- Tekstsoorten: 

Schoolboek/krantenartikel (niet allemaal)/autobiografie. 

Slide 11 - Diapositive

Instrueren
- De schrijver wil je uitleggen hoe je iets moet doen. 
- Instructietekst
- Tekstsoorten: 

Recepten/gebruiksaanwijzing/
handleiding

Slide 12 - Diapositive

Overtuigen
- De schrijver wil je overtuigen van zijn of haar mening
- Betogende tekst
- Tekstsoorten: 

Recensie van een film of boek / betoog/review

Slide 13 - Diapositive

Overhalen
- De schrijver wil dat je iets doet of koopt.
- Activerende tekst
- Tekstsoorten: reclame/poster

Slide 14 - Diapositive

Amuseren
- De schrijver wil dat je plezier hebt van de tekst.
- Amuserende tekst
- Tekstsoorten: 

Strip/film/toneelstuk/leesboek

Slide 15 - Diapositive

Tekstdoelen 
Informeren
De schrijver wil je iets leren
Instructie geven 
De schrijver wil je uitleggen hoe je iets moet doen
Overtuigen
De schrijver wil je overtuigen van zijn/haar mening
Overhalen 
De schrijver wil dat je iets doet of koopt
Vermaken/Amuseren
De schrijver wil dat je plezier hebt van de tekst

Slide 16 - Diapositive

Waar vind je bijvoorbeeld een informerende tekst?

Slide 17 - Question ouverte

Wat is het verschil tussen een informerende en een overtuigende tekst?

Slide 18 - Question ouverte

Welk tekstdoel hoort bij bijvoorbeeld een recept?

Slide 19 - Question ouverte

Welk tekstdoel heeft deze folder?

Slide 20 - Question ouverte

Heb je nog extra uitleg nodig of heb je nog vragen?
Ja
Nee

Slide 21 - Sondage

Volgende les: tekstverbanden en signaalwoorden

Slide 22 - Diapositive

Aan de slag
Wat


Leesvaardigheid, in je schrift: 

Les 14: 1-8




Klaar?
1. Maak de opdrachten in je poëziedossier af (les 57 opdracht 1-12)
2. Ga lezen in je leesboek 
3. Ander huiswerk maken.


timer
15:00

Slide 23 - Diapositive

Check:


Welke verschillende doelen kan een schrijver hebben met een tekst?
Lesdoelen van vandaag

Slide 24 - Diapositive

Les 15: Tekstverbanden en signaalwoorden

Slide 25 - Diapositive

Welk woord past er op de puntjes?

... mijn vader drie keer gevallen was, durfde hij niet meer te schaatsen.
A
Hoewel
B
Nadat
C
Zoals
D
Bovendien

Slide 26 - Quiz

Welk woord past er op de puntjes?

Ik vind pretparken niet leuk. ... word ik misselijk als ik rondjes draai en ... heb ik hoogtevrees.
A
Echter - ook
B
Bovendien - later
C
Allereerst - ook
D
Ondanks dat - niet alleen

Slide 27 - Quiz

Welk woord past er op de puntjes?

Frisdranken ... cola en sinas bevatten vaak erg veel suiker.
A
zoals
B
terwijl
C
ondanks
D
bovendien

Slide 28 - Quiz

Signaalwoorden en Tekstverbanden
Signaalwoorden zijn woorden die een tekst begrijpelijker maken.
Met deze woorden leg je verbanden tussen zinnen en alinea’s. Ze geven de lezer een ‘signaal’ (een teken), bijvoorbeeld: en, maar, toen, want, tenzij, zo, ten slotte. Signaalwoorden helpen de lezer dus door signalen te geven over hoe hij de tekst moet lezen.
Als je signaalwoorden verkeerd gebruikt, zal de lezer de tekst niet kunnen begrijpen.

Voorbeeld
Begrijpelijk:
Mijn fietslicht was kapot, daarom kreeg ik een bekeuring.
Niet begrijpelijk, vreemd:
Mijn fietslicht was kapot, toch kreeg ik een bekeuring.

Slide 29 - Diapositive

Mogelijke tekstverbanden
Opsomming: Ten eerste, daarnaast, en, verder, ook, bovendien, allereerst, ten slotte
Oorzaak en gevolg: Zodat, hierdoor, daardoor, waardoor, doordat
Conclusie: Dus, samenvattend, daarom, kortom
Tegenstelling: Maar, echter, toch, hoewel, daarentegen, desondanks, aan de ene kant, aan de andere kant
Voorbeeld: Bijvoorbeeld, zo, zoals, neem
Toelichting: Dat houdt in, dat wil zeggen, met andere woorden, zo, bijvoorbeeld
Tijd: Eerst, toen, daarna, vervolgens, later, ten slotte, voordat, vroeger, eerder, tegelijkertijd, intussen, terwijl
Doel en middel: Waarmee, daarmee, met het doel, met, door middel van

Slide 30 - Diapositive

Onderwerp
Het onderwerp van een tekst geeft aan waar de tekst over gaat.

Je schrijft het onderwerp van een tekst in één of twee woorden. In ieder geval geen zin!

Slide 31 - Diapositive

Hoofdgedachte
De hoofdgedachte van een tekst = wat wil de schrijver meegeven met de tekst die hij heeft geschreven?

Lees de titel - 1e alinea - laatste alinea --> Probeer daar een hoofdgedachte uit te halen. De hoofdgedachte schrijf je neer in een zin

Slide 32 - Diapositive


Opruimen is niet mijn sterkste kant. Rotzooi maken kan ik daarentegen wel goed.
Welk tekstverband?
A
Oorzaak en gevolg
B
Tijd
C
Tegenstelling
D
Opsomming

Slide 33 - Quiz


Zet je data en wifi op je telefoon uit. Hierdoor krijg je geen berichten meer binnen.
Welk tekstverband?
A
Oorzaak en gevolg
B
Doel en middel
C
Voorbeeld
D
Opsomming

Slide 34 - Quiz

Tijd
Opsomming
Tegenstelling
Toelichting
Nadat mijn vader drie keer gevallen was, durfde hij niet meer te schaatsen.
Ik vind pretparken niet leuk. Allereerst word ik misselijk als ik rondjes draai en ook heb ik hoogtevrees.
Ik durf niet in die snelle achtbaan, maar mijn broertje is een echte waaghals.
Frisdranken zoals cola en sinas bevatten vaak erg veel suiker.

Slide 35 - Question de remorquage

Heb je nog extra uitleg nodig of heb je nog vragen?
Ja
Nee

Slide 36 - Sondage

Aan de slag
Wat


les 57 opdracht 1-12 (poeziedossier, dus in word-document!)

Leesvaardigheid, in je schrift: 

Les 14: 1-8
Les 15: 1-10
Les 16: 1 t/m 13



Klaar?
Ga dan lezen in je leesboek


timer
10:00

Slide 37 - Diapositive