2.4

2.4
1 / 27
suivant
Slide 1: Diapositive

Cette leçon contient 27 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

Éléments de cette leçon

2.4

Slide 1 - Diapositive

Huiswerk
Bekijk de filmpjes van les 2.2
Oefen met het spreekexamen op NTtaalmenu.nl 
(De eerste 3 vragen)
Oefen met de dialoog fietsenmaker (zie bijlage mail)
Lees H12 blz. 173
Lees de woordenlijst
M opdracht 1 en lees de grammatica scheidbare werkwoorden
Maak de schrijfopdracht over een feestdag in Engeland.

Slide 2 - Diapositive

Vragen examen spreken Ad Appel
1 Wat  eet u 's morgens graag bij het ontbijt?
Wat vindt u niet lekker bij het ontbijt?

2 Gaat u ook wandelen? Vertel dan ook waar u naar toe gaat.

3 Welk beroep vindt u leuk? Vertel ook waarom u dat beroep leuk vindt.

Slide 3 - Diapositive



Uitdrukking:



Door                            en 

Slide 4 - Diapositive

De uitdrukking: 
Door dik en dun = Through thick and thin

Vriendschap = friendship 
Steunen = to support

                 een zin waarin je bovenstaande uitdrukking gebruikt.

Slide 5 - Diapositive

Van harte gefeliciteerd met de buurvrouw

Slide 6 - Diapositive

Happy birthday to your neighbour

Slide 7 - Diapositive

Ik ben gek op Nederlandse muziek

Slide 8 - Diapositive

I am crazy about Dutch music

Slide 9 - Diapositive

Ik heb je over het festival verteld

Slide 10 - Diapositive

I told you about the festival

Slide 11 - Diapositive

Dat kon ik me herinneren

Slide 12 - Diapositive

I could remember that

Slide 13 - Diapositive

Wil je een stukje taart?

Slide 14 - Diapositive

Would you like a piece of cake?

Slide 15 - Diapositive

Je weet de weg

Slide 16 - Diapositive

You know the way

Slide 17 - Diapositive

Kan jij de deur openen?

Slide 18 - Diapositive

Can you open the door?

Slide 19 - Diapositive

het bedrijf

Slide 20 - Question ouverte

eerst

Slide 21 - Question ouverte

accountant

Slide 22 - Question ouverte

Opdracht 13 bladzijde 168

Uitspraak e  (bus)
Examenweken

Slide 23 - Diapositive

Herhalen: reflexieve werkwoorden

zich herinneren = (to remember)       Ik..............niets.
zich vervelen = (to be bored)               Jij................nooit.
zich voelen = (to feel)                            Hij...............goed.
zich vergissen = (to be mistaken)      Wij............vaak.
zich voorbereiden = (to prepare)         Zij...........altijd.

Schrijf / write down 5 zinnen in je schrift met deze werkwoorden/ verbs. 

Slide 24 - Diapositive

zich vervelen                                 

ik verveel me
jij verveelt je
hij/zij verveelt zich
wij vervelen ons

Slide 25 - Diapositive

H 12 opdracht 4
1 Ik steek de straat over.
2 Ik neem een plattegrond  mee.
6  Gisteren kwam ik Peter in de supermarkt tegen.
8 Wie heeft een cadeau voor M meegenomen?

Slide 26 - Diapositive

Huiswerk
H12 Maak opdracht 5 en 9
Leer de woordenlijst blz. 174

Oefen met NT2taalmenu.nl
Spreken vraag 1 en 2 
Schrijven opdracht 1 (zie bijlage mail)


Slide 27 - Diapositive