KB2 Hoofdstuk 5 Par 2

KB2 Hoofdstuk 5 Par 2

Wat wordt de prijs?

In deze paragraaf leer je:

  • Wat is een inkoopprijs?
  • Wat is de brutowinstopslag?
  • Hoe bereken je de brutowinstopslag?
  • Hoe bereken je de verkoopprijs?
  • Wat is de afzet?
  • Wat is de omzet?
  • Hoe bereken je de omzet?
1 / 28
suivant
Slide 1: Diapositive
EconomieMiddelbare schoolvmbo kLeerjaar 2

Cette leçon contient 28 diapositives, avec diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 50 min

Éléments de cette leçon

KB2 Hoofdstuk 5 Par 2

Wat wordt de prijs?

In deze paragraaf leer je:

  • Wat is een inkoopprijs?
  • Wat is de brutowinstopslag?
  • Hoe bereken je de brutowinstopslag?
  • Hoe bereken je de verkoopprijs?
  • Wat is de afzet?
  • Wat is de omzet?
  • Hoe bereken je de omzet?

Slide 1 - Diapositive

luisteruitleg bladzijde 134 en 135

Je gaat luisteren naar de uitleg over de inkoopprijs, brutwinstopslag en de verkoopprijs.

Klik op het icoontje.


Uitleg bladzijde 134 en 135

Slide 2 - Diapositive

Van inkoopprijs naar verkoopprijs

Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag


Brutowinstopslag = brutowinstpercentage : 100 x inkoopprijs

Brutowinstopslag is het bedrag dat de winelier gebruikt om de kosten te betalen en winst te maken.

Slide 3 - Diapositive

Van inkoopprijs naar verkoopprijs

Voorbeeldsom

De inkoopprijs van een tennisracket is € 26,00

Brutowinstpercentage is 45%. Bereken de verkoopprijs.


Brutowinstopslag = brutowinstpercentage : 100 x inkoopprijs

Brutowinstopslag = 45:100 x € 26,00 = € 11,70 

Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

Verkoopprijs = € 26,00 + € 11,70 = € 37,70




Slide 4 - Diapositive

Van inkoopprijs naar verkoopprijs

Oefensom

De inkoopprijs van een badmintonracket is € 68,00

Brutowinstpercentage is 87%. Bereken de verkoopprijs.






Slide 5 - Diapositive

Van inkoopprijs naar verkoopprijs

Uitwerking Oefensom

Brutowinstopslag = brutowinstpercentage : 100 x inkoopprijs

Brutowinstopslag = 87:100 x € 68,00 = € 59,16

Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

Verkoopprijs = € 68,00 + € 59,16 = € 127,16

Slide 6 - Diapositive

Uitleg afzet en omzet

Elk bedrijf wilt graag de winst uitrekenen.

De winkelier moet dan eerst de omzet uitrekenen.

De omzet is het bedrag dat het bedrijf ontvangt door het verkopen van producten.

Het aantal producten dat een bedrjf verkoopt noemen we de afzet.

 

Slide 7 - Diapositive

Uitleg berekening omzet

IJsverkoper Mario verkoopt elke zaterdag ijsjes in Heerlen.

Mario verkoopt 450 bolletjes ijs.

De verkoopprijs van een bolletje ijs is € 0,60.

Bereken de omzet.

Omzet = afzet x verkoopprijs

Omzet = 450  x € 0,60 = € 270,00 

Slide 8 - Diapositive

Oefensom omzet

Worstenverkoper Dieter staat elke zaterdag op de markt in Geleen.

Dieter verkoopt elke zaterdag gemiddeld 310 worsten.

De verkoopprijs van een worst is € 2,60.

Bereken de omzet.

Omzet = afzet x verkoopprijs

Omzet = 310  x € 2,60 = € 806,00 

Slide 9 - Diapositive

uitwerking oefensom omzet

Omzet = afzet x verkoopprijs

Omzet = 310  x € 2,60 = € 806,00 

Slide 10 - Diapositive

Oefensom2 Omzet

Fietsenverkoper Jan Janssen verkoopt fietsen voor gemiddeld

€ 350,00 per stuk. 

In april is de omzet van de fietsenwinkel € 42.350,00.


Bereken de afzet. (hoeveel fietsen er verkocht zijn)

Oplossing staat op de volgende dia 

Slide 11 - Diapositive

Oefensom2 Omzet oplossing

Fietsenverkoper Jan Janssen verkoopt fietsen voor gemiddeld

€ 350,00 per stuk. 

In april is de omzet van de fietsenwinkel € 42.350,00.


Bereken de afzet. (hoeveel fietsen er verkocht zijn)

Oplossing: Afzet = omzet : verkoopprijs

Afzet = € 42.350 : € 350 = 121 fietsen

Slide 12 - Diapositive

Vraag 21

De inkoopprijs wordt betaald door het bedrijf dat goederen koopt met de bedoeling om die goederen weer te verkopen.


B


Slide 13 - Diapositive

Vraag 22

a) Dit autobedrijf verdient geen geld aan deze actie want de verkoopprijs is hetzelfde bedrag als de inkoopprijs. De verkoper heoudt dan geen geld over om de kosten te betalen, laat staan winst.

b) Ze gaan verbouwen en alles moet leeg zijn.

Slide 14 - Diapositive

Vraag 23
Bij een lage inkoopprijs kan de winkelier misschien de verkoopprijs verlagen.

Slide 15 - Diapositive

Vraag 24
vervalt

Slide 16 - Diapositive

Vraag 24
vervalt

Slide 17 - Diapositive

Vraag 25

A) Bij een lage brutowinstopslag is de kans groot dat de winkelier niet genoeg geld heeft om de bedrijfskosten te betalen.


B) Bij een hoge brutowinstopslag is de kans groot dat concurrende bedrijven het product goedkoper verkoopt.


Slide 18 - Diapositive

Vraag 26

C

Slide 19 - Diapositive

Vraag 27

Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

Brutowinstopslag=

brutowinstopslagpercentage: 100 x inkoopprijs


Brutowinstopslag = 60:100 x € 35,00 = € 21,00

Verkoopprijs = € 35,00 + € 21,00 = € 56,00

Slide 20 - Diapositive

Vraag 28

Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

€ 620 = € 400 + brutowinstopslag (?)

brutowinstopslag = € 620 - € 400 = € 220


Slide 21 - Diapositive

Vraag 29

a)Verkoopprijs = inkoopprijs + brutowinstopslag

€ 39,60 = € 22 + brutowinstopslag (?)

brutowinstopslag = € 39,60 - € 22 = € 17,60


B) brutowinstopslagpercentage:

brutowisntbedrag :inkoopprijs x 100% =

€ 17,60 : € 22 x 100% = 60%

Slide 22 - Diapositive

Vraag 30

brutowinstopslag%:brutowinstbedrag :inkoopprijs x 100%


Brutowinstbedrag = verkoopprijs - inkoopprijs

Brutowinstbedrag = € 79,20 - € 33,00 = € 46,20


Brutowinstopslag% = € 46,20 : € 33,00 x 100% = 140%

Slide 23 - Diapositive

Vraag 31

a) afzet is het aantal verkochte artikelen. De afzet is 190 ijsjes.

b) Omzet = afzet x verkoopprijs

Omzet = 190 x € 1,70 = € 323,00


Slide 24 - Diapositive

Vraag 32

2 dozen is een kilo. De verkoopprijs van 2 dozen is € 3,00

Dus een kilo kost € 3,00.


Omzet = 21 x € 3,00 = € 63,00


Slide 25 - Diapositive

Vraag 33
C want verkoopopbrengst is een ander woord voor de omzet.

Slide 26 - Diapositive

Vraag 34

a)De omzet bedraagt € 560.

Per boek is de verkoopprijs € 1,75

De afzet --> € 560 : € 1,75 = 320 boeken 


b) omzet = afzet x verkoopprijs

Omzet = 400 x € 1,75 = € 700

Slide 27 - Diapositive

Vraag 35

a) omzet juni = afzet juni x verkoopprijs

omzet juni = 29scooters x € 2.900 = € 84.100


b) Omzet eerste half jaar = afzet eerste half jaar x verkoopprijs

Afzet eerste half jaar = 12+14+15+19+24+29 = 113

omzet eerste half jaar = 113 x € 2.900 = € 327.700

Slide 28 - Diapositive