Leesvaardigheid toetsweek 3 3 havo

Leesvaardigheid toetsweek 3  havo leerjaar 3

uitleg begrippen
1 / 32
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 32 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 45 min

Éléments de cette leçon

Leesvaardigheid toetsweek 3  havo leerjaar 3

uitleg begrippen

Slide 1 - Diapositive

Wat moet je weten voor de toets?
  •  bronnen
  •  betrouwbaarheid van teksten
  •  feiten en meningen
  •  moeilijke woorden
  •  leesmanieren
  •  onderwerp en hoofdgedachte
  •  signaalwoorden
  •  tekstdoelen en tekstsoorten
  •  tien vragen voor tekstbegrip

Slide 2 - Diapositive

Bronnen beoordelen op nut, kwaliteit en betrouwbaarheid
  • Als je een bron hebt gevonden, kijk je eerst naar: heb ik hier iets aan? Je kijkt dus of de bron nut heeft. Zo niet, dan zoek je een andere bron.
  • Vervolgens kijk je naar de kwaliteit van de bron: ziet de bron er verzorgd uit, staan er geen rare fouten in, is alles overzichtelijk?
  • Ten slotte beoordeel je de bron op betrouwbaarheid. Dit kan heel lastig zijn, want soms ziet onbetrouwbaar nieuws er heel betrouwbaar uit.

Slide 3 - Diapositive

betrouwbare bron
geen betrouwbare bron
een krantenartikel
een passage uit een tekstboek
eEen video van een influencer
een reisgids
Een nieuwsbericht
een verhaal van een buurman
Een instagrampost

Slide 4 - Question de remorquage

Hoe check je of een bron betrouwbaar is?
In Nederland zijn de volgende bronnen meestal betrouwbaar:

  • boeken
  • tijdschriften
  • krantenartikelen
  • Wikipedia
  • radio/tv/filmdocumentaires
  • woordenboeken en andere naslagwerken
Let hierbij wel op het jaartal: als een bron tien jaar oud is, kan de informatie verouderd, dus onbetrouwbaar zijn.
Let ook op het doel van de tekst: als het doel is om te overtuigen of te activeren, kan de informatie minder betrouwbaar zijn

Slide 5 - Diapositive

Hoe check je of een bron betrouwbaar is?
Stappenplan internetbronnen:
  • Kijk of de feiten ook in andere internetbronnen voorkomen. Google de feiten.
  • Check de domeinnaam.
  • Kijk wie er achter de site zit. Dat kun je vinden bij ‘over ons’ of ‘about us’.
  • Achterhaal wat het doel van de website is.
  • Staat er een naam bij van een schrijver en een e-mailadres?
  • Staan er links in de bron die naar andere sites verwijzen?
  • Is de tekst correct geschreven (weinig fouten, logische opbouw, geen scheldwoorden)?
  • Staat er een jaartal bij? 

Slide 6 - Diapositive

feiten en meningen in teksten

Slide 7 - Diapositive

Feit en mening
Teksten kunnen feiten en meningen bevatten.
Wat is het verschil?

Slide 8 - Question ouverte

Wat past waar? Feit of mening?
Feit
Mening

Slide 9 - Question de remorquage

Een 16-jarige die zijn papiertje haalt, voelt zich daarna de king of the road.
A
feit
B
mening

Slide 10 - Quiz

Verander feiten in meningen.

Slide 11 - Question ouverte

Moeilijke woorden 

Slide 12 - Diapositive

Als ik de betekenis van een moeilijk woord moet vinden, dan...
A
sla ik dat woord over en begrijp ik de tekst iets minder goed.
B
lees ik de zin ervoor en erna extra goed door.

Slide 13 - Quiz

Een moeilijk woord! En nu?
Als je een moeilijk woord tegenkomt tijdens het lezen, volg dan de volgende stappen:
Is het woord belangrijk voor het begrijpen van de tekst?
Nee? → Sla het over en lees gewoon verder.




Slide 14 - Diapositive

Een moeilijk woord! En nu?
Is het woord wel belangrijk? Gebruik het stappenplan!



Slide 15 - Diapositive

Slide 16 - Diapositive

Hoe kun je de betekenis van moeilijke woorden vinden?
A
Zoeken naar een synoniem, een tegenstelling of een omschrijving
B
Zoeken naar een voorbeeld in de tekst
C
Alle drie de antwoorden zijn juist
D
Letten op bekende woorddelen

Slide 17 - Quiz

Er zijn 5 leesmanieren. Welke leesmanieren ken je?

Slide 18 - Question ouverte

Leesmanieren
Je scrollt door NU.nl om te kijken of er iets interessants op staat. 
Je leest een artikel en checkt of het klopt wat er staat. 
Je moet leren voor je proefwerk biologie, dus je leert je samenvatting heel goed.  
Je leest een Donald Duck voor de lol. 
Je leest een tekst en zoekt het antwoord op een vraag.
Kritisch
Scannend
Grondig
Ontspannend
Zoekend

Slide 19 - Question de remorquage

Koppel de juiste omschrijving aan de leesmanier.
Grondig lezen
Scannend lezen
Zoekend lezen
De soort tekst bepalen, het onderwerp voorspellen en bepalen waarom je de tekst leest.
Niet de hele tekst lezen, maar gericht zoeken naar informatie.
Actieve leeshouding: vragen stellen, bedenken wat je al weet, dingen oplossen die je niet begrijpt.

Slide 20 - Question de remorquage

Onderwerp en hoofdgedachte
Onderwerp 
Hoofdgedachte
waar de tekst over gaat
Belangrijkste wat de schrijver over het onderwerp zegt
1 of een paar woorden
(geen werkwoord)
1 of 2 zinnen
(onder)titel van de tekst en/of inleiding/slot
inleiding of in de slotalinea (soms combineren)

Slide 21 - Diapositive

Op welke manier van lezen vindt je het onderwerp/deelonderwerpen/hoofdgedachte?
onderwerp
deelonderwerpen
hoofdgedachte
scannend lezen
globaal lezen
precies lezen

Slide 22 - Question de remorquage

Signaalwoorden en tekstverbanden 

Slide 23 - Diapositive

Slide 24 - Diapositive

Overzicht signaalwoorden

Slide 25 - Diapositive

Tekstdoelen en tekstsoorten
Ik kan de tekstdoelen en tekstsoorten herkennen.

Slide 26 - Diapositive

Welke tekstdoelen en tekstsoorten horen bij elkaar?
Stripverhaal
Recept 
Uitnodiging voor een feest
Krantenbericht
Recensie (bespreking van een film/boek)
Amuseren
Instrueren
Informeren
Activeren
Overtuigen

Slide 27 - Question de remorquage

Tien vragen voor tekstbegrip

Slide 28 - Diapositive

Slide 29 - Diapositive

Slide 30 - Diapositive

citeren
letterlijk overnemen uit de tekst
scheelt schrijfwerk
Eerste twee (...) laatste woorden.

Slide 31 - Diapositive

Ik weet wat ik moet leren voor de toets
😒🙁😐🙂😃

Slide 32 - Sondage