H3, klas 3m2

H3 Talent, klas 3m2
Leren/herhalen: 
de theorie van paragrafen 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8.
1 / 40
suivant
Slide 1: Diapositive
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

Cette leçon contient 40 diapositives, avec quiz interactifs et diapositives de texte.

time-iconLa durée de la leçon est: 40 min

Éléments de cette leçon

H3 Talent, klas 3m2
Leren/herhalen: 
de theorie van paragrafen 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8.

Slide 1 - Diapositive

Betoog
In een betoog geeft de schrijver zijn mening en licht die toe met argumenten. Hij wil de lezer ervan overtuigen dat zijn mening juist is. Voorbeelden van betogen: ingezonden brief, boekbespreking, filmrecensie.

Beel betogen hebben een driedeling: inleiding (mening), kern (argumenten), slot (conclusie of samenvatting).

Slide 2 - Diapositive

Wat is een driedeling?
A
inleiding-kern-slot
B
alinea-kern-slot
C
alinea-middenstuk-slot
D
inleiding-alinea-slot

Slide 3 - Quiz

Een tekst heeft altijd een driedeling!
A
ja
B
nee

Slide 4 - Quiz

Een betogende tekst heeft een driedeling
A
waar
B
niet waar

Slide 5 - Quiz


Wat is een betoog? Een betoog is een ...
A
Tekst waarin een bepaald standpunt wordt verdedigd met behulp van argumenten
B
Tekst waarin iemand je probeert te overtuigen om iets te doen
C
Tekst waarin iemand reclame maakt voor een bepaald product
D
Tekst waarin verschillende meningen met elkaar vergeleken worden

Slide 6 - Quiz

Wat is de betekenis van:
anoniem?
A
stomverbaasd?
B
zonder omwegen
C
zenuwachtig
D
onbekend

Slide 7 - Quiz

Subjectieve informatie
Subjectieve informatie is het tegenovergestelde van objectieve informatie. De schrijver zegt wat hij ergens van vindt, hij geeft zijn mening over iets.

In een betoog zit altijd subjectieve informatie; de mening is subjectief, maar de argumenten kunnen zowel subjectief als objectief zijn.

Slide 8 - Diapositive

Een betoog bestaat alleen uit subjectieve informatie.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 9 - Quiz

Subjectieve informatie is een
A
feit
B
mening

Slide 10 - Quiz

Functies inleiding en slot
De inleiding is bedoeld om aandacht te trekken, zodat de lezer ook de rest van de informatie gaat lezen. Andere functies van een inleiding zijn: onderwerp noemen, aanleiding noemen, vraag stellen, mening geven, samenvatten.

De functies van een slot zijn: conclusie, samenvatting, advies, waarschuwing.

Slide 11 - Diapositive

Wat is de functie van deze inleiding:

"De lente is begonnen en dat betekent dat het vakantiegeld weer in aantocht is. Altijd een lekker extra bedrag om naar uit te kijken, mocht je er natuurlijk recht op hebben."
A
Aanleiding noemen
B
Onderwerp noemen
C
Samenvatting geven
D
Vraag stellen

Slide 12 - Quiz

Wat is de functie van dit slot:
"Ook een uitkering of AOW geeft recht op vakantiegeld. Hierover later meer. Overigens krijgt niet iedereen een smak extra geld per jaar op de rekening. Dit geldt voornamelijk voor mensen die vast in loondienst zijn bij een bedrijf."
A
Conclusie
B
Samenvatting
C
Advies
D
Waarschuwing

Slide 13 - Quiz

Tussenkopjes
Een tussenkopje noemt het onderwerp van een alinea.

In langere teksten worden tussenkopjes gebruikt om de leesbaarheid van de tekst te verhogen.

Het geeft belangrijke informatie over een deelonderwerp.

Slide 14 - Diapositive

Wat kan een goed tussenkopje zijn voor deze alinea:
"Ze zijn terug! Binnenkort staan Karen, Kristel en Kathleen weer samen op het podium. Het is voor het eerst sinds 2009 dat de originele K3 weer optreedt. Dat maakt het extra bijzonder; een goede reden voor fans om een kaartje te kopen voor de ‘K3 Originals Reünie’-show."

Slide 15 - Question ouverte

Informatie zoeken op internet
Beoordeel internetteksten kritisch op bruikbaarheid. 
Geeft de tekst antwoord op je vraag?
Komt het doel van de tekst overeen met jouw doel?
Is de tekst begrijpelijk?
Wat kan je er mee?

Slide 16 - Diapositive

Woorden 3.5

Slide 17 - Diapositive

Wat is de betekenis van:
aandoenlijk
A
Aandoen
B
Aantrekken
C
Lief
D
Lelijk

Slide 18 - Quiz

Wat is de betekenis van:
potentieel
A
Stevig
B
Mogelijk, zou kunnen gebeuren
C
Minimaal
D
Immers

Slide 19 - Quiz

Wat is de betekenis van:
zich ergens achter scharen
A
Het eens zijn met iets of iemand
B
Zich verstoppen
C
Handelen omdat iets fout gaat
D
Beslissend, heel belangrijk

Slide 20 - Quiz

Persoonlijk en bezittelijk voornaamwoord
Een persoonlijk voornaamwoord (psv) kan in de onderwerpsvorm staan (bijvoorbeeld: ik, jij, hij, zij, het) en in de voorwerpsvorm (bijvoorbeeld: mij, me, jou, hem, haar).

Een bezittelijk voornaamwoord (bzv) geeft aan van wie iets is. Het staat altijd voor een zelfstandig naamwoord.

Slide 21 - Diapositive

Wat is/zijn de persoonlijk voornaamwoord(en):

Hij heeft de bal aan mij gegeven.
A
hij, mij
B
hij heeft
C
aan mij
D
heeft gegeven

Slide 22 - Quiz

Wat is/zijn de bezittelijk voornaamwoord(en):

Is dat jullie auto of is het zijn auto?

A
jullie auto
B
zijn auto
C
jullie, zijn
D
jullie, zijn auto

Slide 23 - Quiz

Schrijf drie persoonlijk voornaamwoorden op.

Slide 24 - Question ouverte

Telwoorden
Telwoorden kan je onderverdelen in hoofdtelwoorden (htw) en rangtelwoorden (rtw)

Hoofdtelwoorden geven een hoeveelheid aan: drie, honderd, weinig, veel. 
Rangtelwoorden geven een rangorde aan: eerste, middelste, laatste, meeste.

Slide 25 - Diapositive

Hoofd-
telwoord
Rang-
telwoord
derde
negen
duizend
laatste
middelste
vierhonderd

Slide 26 - Question de remorquage

Zelfstandig werkwoord en hulpwerkwoord
Het belangrijkste werkwoord van het werkwoordelijk gezegde noem je een zelfstandig werkwoord (zww), bijv.:
Koen eet zijn biefstuk.

Staan er meer werkwoorden in het gezegde? Dan zijn dat hulpwerkwoorden (hww), bijv.:
Koen heeft (hww)zijn biefstuk gegeten (zww).

Slide 27 - Diapositive

zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Dat moet toch kunnen!
kunnen =
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 28 - Quiz

Zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?

Ik heb gefietst.
heb = .....
A
zelfstandig werkwoord
B
hulpwerkwoord

Slide 29 - Quiz


Zelfstandig werkwoord of hulpwerkwoord?
Deze film 'wordt' veel bekeken.
wordt is een...
A
zelfstandig werkwoord (zww)
B
hulpwerkwoord (hww)

Slide 30 - Quiz

Hoofdletters correct gebruiken
Je gebruikt een hoofdletter:
- Aan het begin van de zin. 
- Als de zin begint met een getal gebruik je geen hoofdletter in het woord dat daarna komt: 100 jaar geleden.
- Als de zin begint met 's of 't krijgt het daaropvolgende woord wel een hoofdletter: 's Nachts
- Eigennamen krijgen een hoofdletter
- Feestdagen en historische gebeurtenissen

Slide 31 - Diapositive

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Paasei
B
paasei

Slide 32 - Quiz



Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
december
B
December

Slide 33 - Quiz

Hoofdletter of een hoofdletter?
A
Kerstmis
B
kerstmis

Slide 34 - Quiz

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
titanic
B
Titanic

Slide 35 - Quiz

Hoofdletter of een hoofdletter?
A
Ameland
B
ameland

Slide 36 - Quiz



Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
lente
B
Lente

Slide 37 - Quiz

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Pasen
B
pasen

Slide 38 - Quiz

Hoofdletter of geen hoofdletter?
A
Gucci
B
gucci

Slide 39 - Quiz

Ik beheers de leerstof voldoende voor het proefwerk.
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Sondage