3A 5.9 Kruisingen

1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Quizvragen
  • Leerdoelen
  • Uitleg basisstof 9 --> kruisingen
  • Klassikaal oefenen
  • Opdrachten maken
  • Afsluiting 

Slide 2 - Tekstslide

Thema 3 Erfelijkheid en evolutie
5.1 Genotype en fenotype les 2
5.2 Chromosomen
5.3 Genen en allelen
5.4 Transcriptie
5.5 De evolutietheorie
5.6 Geschiedenis, leven op aarde
5.7 DNA-technieken
5.8 Dominant en recessief
5.9 Kruisingen

Slide 3 - Tekstslide

Nog even terug.....
Dominant, recessief, homozygoot, heterozygoot, fenotype, genotype... Weet jij het allemaal nog? 

Slide 4 - Tekstslide

Hoeveel chromosomen heeft een menselijke cel?
A
23
B
24
C
46
D
48

Slide 5 - Quizvraag

Hoeveel chromosomenparen heeft een menselijke cel?
A
23
B
24
C
46
D
48

Slide 6 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met het genotype?
A
De erfelijke informatie op je chromosomen
B
Hoe je eruit ziet

Slide 7 - Quizvraag

Kan het genotype tijdens je leven veranderen?
A
Ja
B
Nee
C
Nee, alleen bij een mutatie
D
Ja en tijdens mutaties

Slide 8 - Quizvraag

Wanneer wordt je genotype bepaald?
A
Bij de bevruchting
B
Tijdens de ontwikkeling van embryo
C
Bij de geboorte
D
Bij de innesteling in de baarmoeder

Slide 9 - Quizvraag

Wat is wel onderdeel van het fenotype, maar niet van het genotype?
A
De schaafwond op je been
B
De kleur van je ogen
C
De vleugels van een vlieg die vast zitten aan zijn rug
D
De grote hoeveelheid reukzintuigcellen in de neus van een hond

Slide 10 - Quizvraag

Het genotype aa is...
A
Homozygoot dominant
B
Heterozygoot
C
Homozygoot recessief

Slide 11 - Quizvraag

Welk genotype is homozygoot dominant?
A
aa
B
Aa
C
arAr
D
AA

Slide 12 - Quizvraag

Welk genotype is heterozygoot?
A
aa
B
Aa
C
arAr
D
AA

Slide 13 - Quizvraag

Waardoor wordt het fenotype bepaalt?
A
Door het genotype
B
Door het genotype en de omgeving
C
Door de omgeving
D
door de omgeving en de opvoeding

Slide 14 - Quizvraag

Verandert je genotype als je ouder wordt? En je fenotype?
A
Genotype wel / fenotype wel
B
Genotype wel / fenotype niet
C
Genotype niet / fenotype wel
D
Genotype niet / fenotype niet

Slide 15 - Quizvraag

Leerdoelen 
  • Je kunt een kruisingsschema opstellen en daaruit de kans op een bepaald genotype bij de nakomelingen van de kruising afleiden.

Slide 16 - Tekstslide

 Kruisingen
Door het maken van een kruisingsschema kan je het genotype en fenotype van de nakomelingen voorspellen


Slide 17 - Tekstslide

Kruisingen
Bij een kruising gaan we altijd uit van een aantal stappen. 
Schrijf altijd eerst op wat je weet uit de tekst!
  • Stap 1 (P): Wat zijn de genotypen en fenotypen van de ouders?
  • Stap 2 (geslachtscellen): Welke allelen zitten er in de geslachtscellen van beide ouders?
  • Stap 3 (F1): Wat zijn de genotypen en fenotypen van de nakomelingen?
  • Stap 4 (F2): Wat zijn de genotypen en fenotypen in de F2?

Slide 18 - Tekstslide

Je kunt met behulp van een kruisingsschema voorspellen wat de kans op een bepaald fenotype bij de F1* generatie is.
P-generatie = ouders
Fenotype = donker haar
Genotype = Aa (heterozygoot)

Vader zaadcel = A of a
Moeder eicel   = A of a

*F (Filius), letterlijk: zoon. De F1 is de eerste generatie nakomelingen

Slide 19 - Tekstslide

Je kunt met behulp van een kruisingsschema voorspellen wat de kans op een bepaald fenotype bij de F1 generatie is.
Je maakt zo een kruisingsschema

Slide 20 - Tekstslide

Je kunt met behulp van een kruisingsschema voorspellen wat de kans is op een bepaald fenotype bij de F1 generatie
Fenotype --> 3 x 25% = 75% donker haar
Genotype --> 2 x 25% = 50% op Aa
                --> 1 x 25% op AA
                --> 1 x 25% op aa

Genotype
A en A = AA
A bij a = Aa
a bij a = aa
Fenotype
- donker haar
- donker haar
- rood haar
A
a
A
Aa
Aa
a
Aa
aa

Slide 21 - Tekstslide

Even oefenen
Pak pen en papier

Slide 22 - Tekstslide

Oefenen: Kruisingsschema 
Het gen voor de paarse bloemen is dominant over het gen voor witte bloemen. Een tuinder kruist paarse bloemen die homozygoot zijn voor de bloemkleur met witte bloemen. Gebruik de letter R en r.

a. Wat zijn de genotypen van de ouders (P)?
b. Maak een kruisingsschema
c. Wat is het genotype van F1?
d. Wat is het fenotype (Welke kleur heeft de bloem)?
Schrijf eerst op wat je weet uit de tekst --> 
paars (dominant) = R enz. 

Slide 23 - Tekstslide

Antwoorden Kruisingsschema 
Het gen voor de paarse bloemen is dominant over het gen voor witte bloemen. Een tuinder kruist paarse bloemen die homozygoot zijn voor de bloemkleur met witte bloemen. Gebruik de letter R en r.

a. Wat zijn de genotypen van de ouders (P)? RR en rr
b. Maak een kruisingsschema
c. Wat is het genotype van F1? Rr
d. Wat is het fenotype (Welke kleur heeft de bloem)?
    Alle nakomelingen zijn paars.

Slide 24 - Tekstslide

F2
Stel de nakomeling (F1) van de ouders (P) krijgen nakomelingen = F2. Hoe ziet het schema er dan uit? 

  1. Maak een kruisingsschema van de F2
  2. Bepaal het genotype en het fenotype van
     de F2 in percentage en verhouding. 

Slide 25 - Tekstslide

F2 antwoord 
                          
P = RR x rr                              
  
F1 = Rr
                                                

F2                                                 
                                                                         
R
R
r
Rr
Rr
r
Rr
Rr
R
r
R
RR
Rr
r
Rr
rr
F2
Fenotype --> 75% paars, 25% wit

Genotype --> 25% RR (homozygoot dominant), 25% rr (homozygoot recessief), 50% Rr (heterozygoot)

Schrijf eerst op wat je weet uit de tekst --> 
paars (dominant) = R 
wit = recessief = a

Slide 26 - Tekstslide

Huiswerk

Lezen 5.9
Maken opdracht 1 t/m 3

Klaar?
Maak de samenvattingen 5.1 t/m 5.6 

Slide 27 - Tekstslide