Blok 6.4 Lidwoord en zelfstandig naamwoord

Vak: Nederlands
Hoofdstuk: 6.4 Lidwoord en zelfstandig naamwoord
1.
Lesopening
2.
Terugblik
3.
Lesdoel
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo bLeerjaar 1

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Vak: Nederlands
Hoofdstuk: 6.4 Lidwoord en zelfstandig naamwoord
1.
Lesopening
2.
Terugblik
3.
Lesdoel
4. 
Instructie
5.
Begeleid inoefenen
6. 
Zelfstandig werken
7.
Evaluatie

Slide 1 - Tekstslide

1. Lesopening
Pak je boek van Nederlands op tafel op bladzijde 236.

Slide 2 - Tekstslide

2. Terugblik
Wat is een werkwoord?

Wat is de persoonsvorm voor woord?

Wat is een werkwoordelijk gezegde?

Slide 3 - Tekstslide

3. Lesdoel
Aan het eind van deze les:
- weet je wat de lidwoorden zijn
- weet je wat een zelfstandig naamwoord is

Slide 4 - Tekstslide

Lidwoord en zelfstandig naamwoord
Zelfstandige naamwoorden zijn woorden voor mensen, dieren, planten en dingen. 

Er zijn drie lidwoorden: de, het, een.

Slide 5 - Tekstslide

Lidwoord en zelfstandig naamwoord
mens:     het meisje , ...........................
dier:       de koe , ......................................
plant:     de paardenbloem , ..............................
ding:      het kleed , ...........................
Ook namen zijn zelfstandige naamwoorden: namen van mensen en dieren, maar ook namen van plaatsen, rivieren en landen.

Slide 6 - Tekstslide

Lidwoord en zelfstandig naamwoord
Er zijn drie lidwoorden: de, het, een.
Lidwoorden horen bij zelfstandige naamwoorden.
Het lidwoord een kun je bijna altijd gebruiken.
Bij het meervoud hoort altijd de.

Voorbeeld:       de krant – een krant – de kranten 
                    het potlood – een potlood – de potloden

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Wat zijn lidwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 10 - Quizvraag

Wat zijn zelfstandige naamwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 11 - Quizvraag

De slimme leerling snapt het niet.
Welk woord is het lidwoord?
A
de
B
slimme
C
het
D
leerling

Slide 12 - Quizvraag

De slimme leerling snapt het niet.
Welk woord is het zelfstandig naamwoord?
A
slimme
B
leerling
C
snapt
D
de

Slide 13 - Quizvraag

6. Zelfstandig werken
Je maakt nu zelfstandig opdracht 9 (zin 1 t/m 5), 10 en 11 op blz 236 en 238.
Mijn broer werkt als dierenverzorger in een dierentuin.

Ben je klaar?
Dan kijk je de opdrachten na en verbeter je.
Daarna ga je in stilte lezen of een puzzel maken. 
timer
1:00

Slide 14 - Tekstslide

7. Evaluatie
Hoe ging de les?
Begrijp je de grammatica?


Huiswerk:
Maandag 14 juni
6.4 opdracht 9, 10 en 11 

Slide 15 - Tekstslide