Duits klas 2 H/A (wk 9/10/11 &13)

Willkommen im Deutsch Unterricht
1 / 48
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 2

In deze les zitten 48 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

Onderdelen in deze les

Willkommen im Deutsch Unterricht

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

1. Was haben wir in der letzten Stunde besprochen? (5 min.)

2. kurze Wiederholung Grammatik 

3. Afsluitung- Tschüss!!! (5 min.)

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog over onbepaalde lidwoorden en ontkenningen in het Duits, zwakke werkwoorden (let op: er zijn 3 soorten zwakke werkwoorden en de bezittelijke voornaamwoorden?

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

ein, eine, kein(e)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

3 soorten zwakke werkwoorden
1. "Normale" werkwoorden (wohnen)
2. Zwakke werkwoorden met stam op -d of -t (reden)
3. Zwakke werkwoorden met stam op -s of -ß (heißen)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wiederholung schwache Verben o.t.t.
Er is ook een uitzondering voor regelmatige werkwoorden die eindigen op een sisklank. Met een sisklank wordt in het Duits een -s, een -ss, een -ß of een -z bedoeld.. 

Bij de du-vorm de uitgang-st wordt vervangen door 
-t, aangezien in de stam van het werkwoord zelf 
al een sisklank zit.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Werkwoorden op stam -d en -t
Antworten
ich antwort - e
du antwort - est
er/sie/es antwort - et
wir antwort - en
ihr antwort - et
sie/Sie antwort - en
(f)
e
est
et
en
et
en

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Grammatik
Zwakke werkwoorden "normaal": (fe).e.st.t.en.t.en
Zwakke werkwoorden met stam s, ss, z, ß: (fe)e.t.t.en.t.en
Zwakke werkwoorden met stam -d, en -t: (f)e.est.et.en.et.en


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Das Possesivpronomen
het bezittelijk voornaamwoord 
Het bezittelijk voornaamwoord.
Ken je ze nog?

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ik 
mijn
jij
jouw
hij
zijn
zij 
haar
het 
zijn
wij
ons/onze
jullie
jullie
zij
hun
u
uw
ich
mein-
du
dein-
er
sein- 
sie 
ihr-
es
sein-
wir
unser-
ihr
euer-/eure-
sie
ihr-
Sie
Ihr-
Het bezittelijk voornaamwoord

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Bezittelijke voornaamwoorden

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lernziel
Aan het einde van de les kan je een zin ontleden en toepassen, doordat je geoefend hebt met opdrachten. 

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe kun je reageren, als een andere leerling tegen je begint te praten, terwijl het stil hoort te zijn?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe zorg je ervoor dat je tijdens de les je concentratie op peil houdt?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog van de vorige les over zinsontleding?

Slide 15 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Naamvallen
Naamvallen:

Verschillende vormen die woorden aannemen, 
afhankelijk van hun functie in de zin.

Je ziet naamvallen ook bij de lidwoorden.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Naamvallen
1e naamval                Onderwerp
                         3e naamval                Meewerkend voorwerp
                        4e naamval                Lijdend voorwerp           

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden                   NEEM OVER in je schrift!
Hoe vind je het onderwerp
1e naamval? 

Hoe vind je het meewerkend 
voorwerp 3e naamval?

Hoe vind je het lijdend voorwerp 
4e naamval?
  • Wie of wat + gezegde (persoonsvorm) 
  • AAN/VOOR WIE (+gezegde+onderwerp
  • WIE/WAT+ gezegde+onderwerp. 

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Voorbeelden. Zie blz 190/191 (B-boek)
Beispiele:
Zonder voorzetsel, dus je moet ontleden.
  1. Ich habe e...................Mann (m) gesehen.
  2. Ich habe d...............Buch (o) gekauft.
  3. Das Mädchen zeigt ..... Lehrer (m) d.....Buch (o)
  4. Der Mann gibt d......Kind ein....Apfel (m).

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Stappenplan ontleden
1. Het gezegde
2. Onderwerp
3. Lijdend voorwerp
4. Meewerkend voorwerp

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Onderwerp
Hoe vind je het onderwerp in de zin?
Wie / wat + persoonsvorm ( = het gezegde)?

Vb: Het kind pakt de bal.
Wie pakt?   ->   het kind   =   onderwerp   =   eerste naamval

Je kunt het onderwerp ook vervangen door HIJ.

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Zinnen ontleden
Lijdend voorwerp
  1. Noteer het onderwerp
  2. Stel de vraag: Wie/wat + gez.  + ond.
  3. Het antwoord op de vraag is het lijdend vw.


Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden (net als in het Nederlands)
3e naamval ➔ meewerkend voorwerp 
 
vraag: “aan wie/ voor wie” ? = meewerkend voorwerp
 
Ik heb voor mijn moeder een krant gekocht  

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke stap moet je toepassen, voorzetsel of ontleden?
Ich bin bei ihm
A
voorzetsels
B
ontleden

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke stap moet je toepassen, voorzetsel of ontleden?
Wir geben Ihnen ein neues Auto
A
voorzetsels
B
ontleden

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke stap moet je toepassen, voorzetsel of ontleden?
Lisa hat mich gestern gesehen
A
voorzetsels
B
ontleden

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke stap moet je toepassen, voorzetsel of ontleden?
Janny kann nicht ohne ihn leben
A
voorzetsels
B
4e naamval

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meewerkend voorwerp in de zin: 'Ik geef mijn vriend een boek.'?
A
De leraar
B
Ik
C
Mijn vriend
D
Een boek

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het onderwerp in de zin: 'De hond blaft.'?
A
De hond
B
De kat
C
Het huis
D
Blaft

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ich gebe meinem Freund ein Buch.
A
geef (werkwoord)
B
mijn vriend (meewerkend voorwerp)
C
Ich (onderwerp)
D
ein Buch (lijdend voorwerp)

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Die Katze fängt einen Ball.
A
een Ball (lijdend voorwerp)
B
deelwoord (geen functie)
C
fängt (werkwoord)
D
Die Katze (onderwerp)

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke naamval hoort bij het voorzetsel?
Morgen komme ich mit ........ (mijn) Mutter nach Berlin.
A
1e naamval
B
2e naamval
C
3e naamval
D
4e naamval

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe vraag je naar de 4e naamval
A
wie/ wat + gezegde
B
wie/ wat + gezegde + onderwerp
C
aan wie/ wat + gezegde + onderwerp
D
wie / wat

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden (zie Spick-o-thek blz 190)
  1. Ich backe ein....... Torte.
  2. Mein.......... Bruder ist 18 Jahre alt.
  3. Ich schlage mein............... Bruder.
  4. D............... Essen hat mir gut geschmeckt.
  5. Ich liebe dein.............. Hund.
  6.  Gerbrich wird von d....Oma eine Katze bekommen.
  7. Ich gehe durch d.....Park.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

?????
Onderwerp:   Wie/wat +  gezegde?
Lijdend voorwerp: wie/wat + gezegde + onderwerp?
Het meewerkend voorwerp: aan/voor wie+ werkwoordelijk gezegde + lijdendvoorwerp

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ontleden                   NEEM OVER in je schrift!
Hoe vind je het onderwerp
1e naamval? 

Hoe vind je het meewerkend 
voorwerp 3e naamval?

Hoe vind je het lijdend voorwerp 
4e naamval?
  • Wie of wat + gezegde (persoonsvorm) 
  • AAN/VOOR WIE (+gezegde+onderwerp
  • WIE/WAT+ gezegde+onderwerp. 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Maak nu de volgende opdrachten:
Zie boek B: blz 45 en het schema, zie stencil
 
Zie uitgereikte groepsopdrachten op niveau
 
Zeit:  +/ - 20 Minuten


timer
20:00

Slide 42 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 43 - Open vraag

De leerlingen voeren hier drie dingen in die ze in deze les hebben geleerd. Hiermee geven ze aan wat hun eigen leerrendement van deze les is.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Slide 44 - Open vraag

De leerlingen voeren hier twee dingen in waarover ze meer zouden willen weten. Hiermee vergroot je niet alleen betrokkenheid, maar geef je hen ook meer eigenaarschap.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 45 - Open vraag

De leerlingen geven hier (in vraagvorm) aan met welk onderdeel van de stof ze nog moeite. Voor de docent biedt dit niet alleen inzicht in de mate waarin de stof de leerlingen begrijpen/beheersen, maar ook een goed startpunt voor een volgende les.
Welk cijfer zou je jezelf willen geven voor je werkhouding en waarom juist dat cijfer?

Slide 46 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

                Evaluatie van de les


Slide 47 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we volgende keer doen?
* Uitleg/ herhaling grammaticastof en groepsopdrachten (uitgereikt stencil met differentiatie) vorige les afmaken & terugkoppelen.
* Nakijken uit B-boek: - oef. 14 Aussprache met eigen opname
                                                   stem. 
                                               - Toets bespreken.
                                               - tekst oef. 18 (blz 22/23
                                               - oef. 19/20 (blz 24)
                                               - kijkopdracht internet oef. 25 en oef. 27 
ZIe Sometoday:  dinsdag 1 april 25 het 1e lesuur: l2h.du1/l2a.du1.


 
 

Slide 48 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies