Taalverzorging 2F: 3.6 Bijvoeglijk naamwoord

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doel
  • Je formuleert correcte samengestelde zinnen.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat gaan we doen?
Herhalen:
Werkwoordspelling
Meervoud
Tussenletters
Aan elkaar of los?
Aanwijzende voornaamwoorden
Verwijswoorden

Nieuwe theorie:
Taalverzorhing 2F Bijvoeglijke naamwoorden


Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Herhalen - de beste manier van leren

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste vorm van het werkwoord in tegenwoordige tijd?
Hij (dansen) de tango.

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
(drinken) jij graag thee?
A
drink
B
drinkt

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de juiste vorm van het werkwoord?
Hij (landen) op Schiphol.
A
land
B
landt

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er met het werkwoord 'werken' als je het in de verleden tijd zet?

Slide 8 - Woordweb


Hoe schrijf het werkwoord in de verleden tijd?
Hij (rekenen) het bedrag uit.

Slide 9 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Ik (koken) pasta.

Slide 10 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe schrijf je het werkwoord in de verleden tijd?
Wij (zetten) de pot op tafel.

Slide 11 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters. Wat is de goede schrijfwijze?

Welk woord is goed geschreven?
A
hoogtevrees
B
hoogtenvrees

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tussenletters. Wat is de goede schrijfwijze?

Welk woord is goed geschreven?
A
stoelendans
B
stoeledans

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan elkaar of los. Wat is de goede schrijfwijze?

........................ wordt niet verkocht aan jongeren onder de achttien jaar.
A
Sterke drank
B
Sterkedrank

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan elkaar of los. Wat is de goede schrijfwijze?

Voor de .......................... wordt een bedrijfsbezoek georganiseerd.
A
eerste jaars studenten
B
eerstejaars studenten
C
eerstejaarsstudenten

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meervoud. Wat is de goede schrijfwijze in het meervoud van......?

COMITÉ?
A
comités
B
comité's

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Meervoud. Wat is de goede schrijfwijze in het meervoud van......?

JURY?
A
jurys
B
jury's

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meervoud van
PARAAF?
A
paraven
B
parafen

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het meervoud van
BLAAS
A
blasen
B
blazen

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Vera doet het trucje voor.    ________  zegt:

‘Zo moet je ________ doen.’
deze
die
dit
dat
hij
zij
het
ze

Slide 20 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke verwijswoorden horen in deze zin? 
Sleep de verwijswoorden naar de goede plaats.
Twan heeft een bijbaantje voor twee uurtjes,

 ________  vindt    ________ niet erg.
deze
die
dat
hij
zij
het
ze

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Nieuwe theorie
bijvoeglijke naamwoorden

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het bijvoeglijk naamwoord

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Wat is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

het bijvoeglijk naamwoord
Dit ga je leren:
Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
Waar staat het bijvoeglijk naamwoord in een zin?
Wat kun je doen met een bijvoeglijk naamwoord?

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
A
slimme
B
tante
C
onvergetelijke
D
logeerpartij

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

bijvoeglijk naamwoord
zelfstandig naamwoord
het
kleine
rode
autootje
lidwoord
bijvoeglijk naamwoord

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

wat zijn bijvoeglijke naamwoorden?
A
de, het , een
B
slimme, mooie, rode
C
fiets, boek, volleybal
D
lopen, werken, denken

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

zelfstandig naamwoord
 Bijvoeglijk naamwoord
Zelfstandig
naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
peren
aardige
auto
Roos

lokalen
klein

Slide 33 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk bijvoeglijk naamwoord is een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord?
A
De lelijke kast
B
De metalen kast
C
De grijze kast
D
De oude kast

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Stoffelijk bijvoegelijk naamwoord
Bijvoeglijk naamwoord
plastic
brutale
geniale
polyester
katoenen
grote
gebakken
flanellen

Slide 35 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is geen bijvoeglijk naamwoord?
A
grote
B
brede
C
fietsten
D
gekke

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bijvoeglijk naamwoord?
A
de
B
gevallen
C
laptop
D
zoeken

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een bijvoeglijk naamwoord?
A
aardappel
B
het
C
geweldige
D
gescoord

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat zijn de bijvoeglijke naamwoorden?
A
zonnige
B
dag
C
zonnige , leren
D
leren

Slide 39 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Aan de slag!

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies