2.08 Signaalwoorden en voegwoorden, oefenen KLT

Vandaag
  • Stillezen
  • Theorie : voegwoorden, signaalwoorden en omschrijvingen
  • Oefenen via LessonUp en lesboek
  • Woorden Kern 30, 31 en 34 via Quizlet
  • Pauze
  • Kijken en luisteren: kritisch kijken en luisteren

  • Oefenen met werkwoordspelling
1 / 44
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 1-4

In deze les zitten 44 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
  • Stillezen
  • Theorie : voegwoorden, signaalwoorden en omschrijvingen
  • Oefenen via LessonUp en lesboek
  • Woorden Kern 30, 31 en 34 via Quizlet
  • Pauze
  • Kijken en luisteren: kritisch kijken en luisteren

  • Oefenen met werkwoordspelling

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een thema?
Het thema is het hoofdonderwerp van het verhaal (film, serie of lied).

Thema's die veel voorkomen: liefde, dood, vriendschap, eenzaamheid of opgroeien tot volwassene.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Lesdoel
Aan het eind van de les weet ik wat signaalwoorden zijn en kan ik deze vinden in een tekst of zin. 

Slide 4 - Tekstslide

Wat is een signaalwoord?

• Verbindingswoorden 

•Signaalwoorden geven het verband aan tussen,  zinnen en alinea’s.

Slide 5 - Tekstslide

Tijd
Voordat, nadat, eerst, daarna, wanneer, vroeger, hierna, , vervolgens, later, ten eerste, ten slotte,  later,  oorspronkelijk, intussen 

Slide 6 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
.... er verkiezingen komen, presenteren de partijen zich aan de kiezers.
A
Nadat
B
Voordat
C
Eerst
D
Want

Slide 7 - Quizvraag

Opsomming
en, ook, verder, daarbij, bovendien, daarnaast, een ander…, ten eerste, vervolgens, eveneens, noch… noch…, zowel… als…., niet alleen… maar ook…, tevens, voorts, ten slotte

Slide 8 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin: Eerst zijn er verkiezingen en ..... wordt er een nieuw kabinet samengesteld.
A
ook
B
daarom
C
dus
D
vervolgens

Slide 9 - Quizvraag

Tegenstelling
maar, echter, toch, doch, niettemin, daarentegen, juist (niet), al(hoewel), desondanks, enerzijds… anderzijds…, in tegenstelling tot, daar staat tegenover dat, terwijl (in de betekenis van hoewel)

Slide 10 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin: In Mexico is het .... Nederland het hele jaar door warm.
A
in tegenstelling tot
B
ondanks
C
evenals
D
behalve

Slide 11 - Quizvraag

Oorzaak – gevolg
Oorzaak:  doordat, door, de oorzaak is…, te danken/wijten aan, ten gevolge van
Gevolg: daardoor, hierdoor, waardoor, leidt tot…., zodat,
het gevolg/resultaat/effect (daarvan) is

Slide 12 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
De PVV heeft hele extreme standpunten, .... veel partijen niet met hen willen samenwerken.
A
omdat
B
dus
C
aangezien
D
waardoor

Slide 13 - Quizvraag

Doel – middel
Om te, daarmee, waarmee, door middel van

Slide 14 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
Ik heb een pakketje ontvangen ..... ik een cadeau kon geven aan mijn vriend.
A
waarmee
B
doordat
C
tenzij
D
vandaar dat

Slide 15 - Quizvraag


Voorbeeld/ toelichting
zo, bijvoorbeeld, zoals, namelijk, ter illustratie, stel, neem, onder andere, denk hierbij aan, dat komt voor bij, dat is het geval bij 

Slide 16 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
Ik hou ervan om aan het eind van de dag even te ontspannen, ........ door een boek te lezen of een wandeling te maken.
A
aangezien
B
omdat
C
want
D
zoals

Slide 17 - Quizvraag

reden
omdat, want, immers, namelijk, vanwege, wegens, aangezien, daarom, dus  

Slide 18 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin: Mensen stemmen alleen in een hokje, ... de privacy.
A
omdat
B
vanwege
C
want
D
immers

Slide 19 - Quizvraag

Voorwaarde
Als, wanneer, tenzij, ( niet als),
mits(= alleen als) 
 aangenomen dat
gesteld dat

Slide 20 - Tekstslide

Welk signaalwoord past in de zin:
... iemand zich niet kan legitimeren, mag hij/zij ook niet gaan stemmen.
A
Als
B
Tenzij
C
Bijvoorbeeld
D
Want

Slide 21 - Quizvraag

Samenvatting / conclusie
kortom, samengevat, al met al, alles bij elkaar genomen, om kort te gaan, met andere woorden

dus, vandaar, daarom, om die redenen, dan ook, kortom, al met al, concluderend, dat betekent, aldus, hieruit volgt

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Voegwoorden
Voorbeelden van voegwoorden:
want, omdat, en, maar, zodat, dus, terwijl, nadat, als, toen, tenzij, hoewel, doordat, of. 

Slide 24 - Tekstslide

Gebruik van voegwoorden
Je gebruikt voegwoorden bijvoorbeeld bij een:
  • opsomming: Ik eet een appel en een peer.
  • tegenstelling: Ik eet een appel, maar vind ik het vies.
  • gevolg: Ik eet een appel, zodat ik minder trek heb.
  • reden: Ik eet een appel, want dat is gezond.

Slide 25 - Tekstslide

Omschrijvingen
In plaats van hetzelfde woord te herhalen, kun je het ook omschrijven. Je zegt dan hetzelfde, maar in andere woorden. Daardoor wordt je tekst prettiger leesbaar.

Slide 26 - Tekstslide

Omschrijvingen - voorbeeld
Erik  wacht nu al tijden op de bus. De 15-jarige scholier kan 
vanwege een beenbreuk niet fietsen.


--> Erik en de 15-jarige scholier zijn dezelfde persoon.

Slide 27 - Tekstslide

Aan de slag
Je maakt opdracht 1 t/m 5 van Kern 34 (blz. 72+73)

Slide 28 - Tekstslide

Nabespreking

Slide 29 - Tekstslide

Opdracht 1
In de eerste alinea is sprake van een opsomming. Dat kun je zien aan de woorden ‘ook’ en
‘daarnaast’

Slide 30 - Tekstslide

Opdracht 2
zodat, omdat, dus, en

Slide 31 - Tekstslide

Opdracht 3
De PWR 27, het elektronische hulpmiddel, deze back-up accu, het hebbeding.

Slide 32 - Tekstslide

Opdracht 4
Je kunt hetzelfde woord omschrijven in plaats van te herhalen, je kunt voegwoorden gebruiken
en je kunt signaalwoorden gebruiken.

Slide 33 - Tekstslide

Opdracht 5a
Dit weekend rijden er geen treinen, omdat er aan het spoor wordt gewerkt.

Slide 34 - Tekstslide

Opdracht 5b
Ik vertrek vijf minuten eerder, zodat ik zeker weet dat ik de bus ga halen.

Slide 35 - Tekstslide

Opdracht 5c
Er waren allerlei leuke spelletjes en activiteiten bedacht, maar er kwamen nauwelijks kinderen opdagen.

Slide 36 - Tekstslide

Opdracht 5d
De huisarts is weggeroepen voor een spoedgeval, dus de wachttijd kan wel oplopen tot een half uur of een uur.

Slide 37 - Tekstslide

Opdracht 5e
Op alle jassen krijg je 40% korting en alle broeken gaan voor de helft van de prijs weg.

Slide 38 - Tekstslide

Wat weet jij over ...

signaalwoorden ?

en voegwoorden? 

Slide 39 - Tekstslide

Woorden kern 30, 31 en 32
Oefenen via Quizlet

Slide 40 - Tekstslide

Kijken en luisteren oefenen
Je oefent voor de KLT (SE4), deze wordt afgenomen in week 5: (27.01.25 t/m 31.01.25)
Vandaag: kritisch kijken en luisteren
Je leest eerst de vraag, kijkt een gedeelte van het fragment en beantwoordt de vraag (de timer loopt).

Slide 41 - Tekstslide

Kijken en luisteren nakijken
Je kijkt jezelf na aan de hand van het antwoordenblad.

Slide 42 - Tekstslide

Kijken en luisteren toets
Hoe ging de KLT?

Slide 43 - Tekstslide

Klaar?
Je oefent met het oefenblad 6 voor werkwoordspelling.

--> Je kijkt voor de theorie van werkwoordspelling in de reader 'werkwoordspelling' via Teams/ bestanden/lesmateriaal/ 2. Spelling

Slide 44 - Tekstslide