FOV 25 les 7

Beperking door inwendige organen ( les 7)
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
VerzorgenMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 3 videos.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Beperking door inwendige organen ( les 7)

Slide 1 - Tekstslide

Wat is een stoornis?

Slide 2 - Open vraag

Stoornis
van een stoornis is sprake wanneer een orgaan of orgaanstelsel afwijkingen vertoont of beschadigd is of een lichaamsfunctie ontbreekt, en leeftijd niet de oorzaak daarvan is

Slide 3 - Tekstslide

Indeling van stoornissen 
  • Stem-, spraak en taalstoornissen
  • Stoornissen van de inwendige organen 
  • Gehoor en evenwichtsstoornissen
  • Gezichtsstoornissen
  • Huid en gevoelsstoornissen
  • Verstandelijke stoornissen
  • Psychiatrische stoornissen 

Slide 4 - Tekstslide

Bij iemand met een nierproblemen spreek je van een stoornis
A
Juist
B
Onjuist

Slide 5 - Quizvraag

Wat is een beperking?

Slide 6 - Open vraag

Beperking
moeilijkheid of onmogelijkheid om bepaalde gangbare menselijke activiteiten uit te voeren

Slide 7 - Tekstslide

De oorzaak van een aangeboren beperking kan komen door zuurstoftekort direct na de bevalling
A
Juist
B
Onjuist

Slide 8 - Quizvraag

Wat is een handicap?

Slide 9 - Open vraag

Handicap
sprake van verlies van mogelijkheden om op gangbare wijze deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer 

  • Verschilt per persoon

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Lichamelijke beperkingen
situatie waarbij iemand door een stoornis in de bewegingen of blijvende afwijking in een van de organen, minder mogelijkheden heeft in het functioneren

Slide 12 - Tekstslide

Verschillende beperkingen
  • Motorische beperkingen
  • Zintuigelijke beperkingen
  • Chronische ziekte
  • Spraak- en taalstoornissen
  • Niet-aangeboren hersenletsel
  • Bewustzijnsstoornissen 

Slide 13 - Tekstslide

Noem een zintuig

Slide 14 - Open vraag

Zintuigelijke beperkingen
bij een zintuigelijke beperking werken één of meer zintuigen (horen, zien, ruiken, proeven en voelen) niet of minder goed

 

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Doofheid
=er is sprake van doofheid wanneer de mogelijkheid om te horen GEHEEL afwezig is

  • Restgehoor kan aanwezig zijn --> CI 
  • Communicatie is belangrijk
  • Frustratie; anders dan anderen --> achterdocht 

Slide 17 - Tekstslide

CI=cochleair implantaat 
=apparaat die geluiden om zet in elektrische signalen

  • Leren om signalen uit elkaar te halen
  • Juiste betekenis aan leren geven
  • Spraak kan verbeterd worden
  • Communicatie met niet-doven verbetert

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Video

1. Gebarentaal
=een visuele taal die zichtbaar gemaakt wordt door handen, mimiek en houding

  • Echte zelfstandige taal, geen ondersteuning van de gesproken taal met gebaren
  • Eigen grammatica, eigen uitdrukkingen

Slide 20 - Tekstslide

2. Totale communicatie 
=communicatie waarbij iemand tegelijkertijd gebruikmaakt van meerdere uitingsvormen in de communicatie, om zo een boodschap over te brengen

  • Woorden, gebaren, voorwerpen laten zien en lichaamscontact 

Slide 21 - Tekstslide

Slechthorendheid
=er is sprake van slechthorendheid als iemand beperkt kan horen en dit niet voldoende te corrigeren is door hulpmiddelen, zoals een gehoorapparaat 

  • Bepaalde toonhoogte/geluidssterkte 
  • Spraak beter dan doofheid
  • Onzeker gevoel/angstig 

Slide 22 - Tekstslide

Aandachtspunten communicatie auditieve beperkingen
Vraag om aandacht door lichamelijk contact te maken
Zorg ervoor dat het kind of de jongere je kan zien en kijk de ander aan als je spreekt
Zoek rustige ruimten op
Praat duidelijk, niet te snel en ook niet overdreven. Luider praten helpt niet, omdat het de klanken vervormt 
Herhaal zo nodig hetzelfde in andere woorden. Zeg nooit; laat maar
Geef aan waarom je lacht; anders voelt kind of jongere zich uitgelachen 

Slide 23 - Tekstslide

Blindheid
=er is sprake van blindheid als iemand minder dan 5% ziet of als het gezichtsveld is beperkt tot minder dan 10 graden (een normaal gezichtsveld is 140 graden)

  • Gezichtsveld; hoeveel je ziet
  • Gezichtsscherpte= bepaald hoe scherp je iets ziet

Slide 24 - Tekstslide

Blindheid verdere informatie 
  • 1 op de 5 blinden ziet niks
  •  Kan aangeboren of niet-aangeboren zijn
  • Bij aangeboren; visuele beeldvorming ontbreekt
  • Zorg voor vaste plekken/veiligheid/juiste informatie 

Slide 25 - Tekstslide

Slechtziendheid
=betekend dat iemand minder dan 30% ziet of een gezichtsveld heeft dat kleiner is dan 30 graden (een normaal gezichtsveld is 140 graden)

  • Verhelpen met een bril
  • Ver/dichtbij 

Slide 26 - Tekstslide

Aandachtspunten bij visuele beperkingen
Noem eerst de naam van het kind of de jongere als je contact zoekt
Let op de intonatie van je stem; kind of jongere kan je echter niet zien
Help het kind of de jongere om te zien. Vertel hem dus over wat er zoal te zien is. Je kunt hem daarbij dingen in handen geven en laten betasten, zodat hij een nog completer beeld krijgt van de omgeving 

Slide 27 - Tekstslide

Beperkingen door inwendige organen

chronische ziekten van de nier, lever, darm, alvleesklier, hart, bloed of longen
Overeenkomsten: beperking in lichamelijk functioneren, mindere weerstand, negatief zelfbeeld, angst en onzekerheid, onzichtbaar en school voor speciaal onderwijs

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Video

Diabetes mellitus

Slide 30 - Tekstslide

Diabetes waar denk je ?

Slide 31 - Woordweb

Wat is diabetes?
  • Diabetes, suikerziekte, is een ziekte waarbij het lichaam de   bloedsuiker niet meer in evenwicht kan houden.
  • Dat komt doordat het lichaam (aanmaak alvleesklier) te weinig van   het hormoon insuline heeft. Of het maakt helemaal geen insuline meer. 

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Video

Symptomen type 1:
Vermoeidheid
Veel urineren
Dorst
Vermagering
Slechte wondgenezing
Infectie's
Jeuk
Wazig zien
Symptomen type 2: 
Vermoeidheid



Slechte wondgenezing
Infecties
Jeuk
Wazig zien

Slide 34 - Tekstslide

Insuline en Glucagon
Insuline: 
  • Hormoon dat een belangrijke rol speelt bij de glucose waarde.
  • Een tekort of geen aanmaak leidt tot diabetes.
  • Wordt aangemaakt in de alvleesklier.


Glucagon:
  • Hormoon dat wordt gemaakt in de alvleesklier, verhoogt   glucose in het bloed.
  • Verhoogt de bloedsuikerspiegel als deze daalt. 
  • Wordt aangemaakt in de alvleesklier

 


Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide