14/10 grammatica samengestelde zin 2e jaars

Welkom!
Wat gaan we vandaag doen?

  • 10 min. lezen.
  • Uitleg voegwoorden & samengestelde zinnen. 
  • Samen oefenen 
  • Zelfstandig werken
  • Afsluiten
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 2

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Welkom!
Wat gaan we vandaag doen?

  • 10 min. lezen.
  • Uitleg voegwoorden & samengestelde zinnen. 
  • Samen oefenen 
  • Zelfstandig werken
  • Afsluiten

Slide 1 - Tekstslide

Je zet een komma
A
Na een voegwoord
B
voor een voegwoord

Slide 2 - Quizvraag

Herhaling
Je zet een komma:
  • tussen twee persoonsvormen
  • tussen delen van een opsomming
  • voor een voegwoord

Slide 3 - Tekstslide

Samengestelde zinnen
Samengestelde zinnen zijn enkelvoudige zinnen die samengevoegd zijn m.b.v. een voegwoord.
In een samengestelde zin heb je twee of meer persoonsvormen.

Hij is gevallen en hij moet naar het ziekenhuis.



Slide 4 - Tekstslide

Voegwoord (vw)
De zinnen van een samengestelde zin, 
plak je meestal aan elkaar met een voegwoord.
Bijvoorbeeld: 
en, maar, want, of, dat, omdat, als, toen, hoewel, terwijl.
(Hij gaat morgen op vakantie, maar hij  moet nog inkopen doen.)
Voegwoorden zijn een soort cement.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het voegwoord in deze samengestelde zin? 'De zon scheen en het regende tegelijkertijd.'
A
en
B
scheen

Slide 6 - Quizvraag

Wat is het voegwoord van deze samengestelde zin? 'Ik meld me bij de conciërge, want ik ben te laat'
A
want
B
meld

Slide 7 - Quizvraag

Wat is het voegwoord in deze zin?

Dit is theorie voor de tweede klas, maar elke brugklasser maakt al samengestelde zinnen.
A
voor
B
maar
C
maakt
D
al

Slide 8 - Quizvraag

Terwijl Oualid leert voor het proefwerk, leest Rodas een boek.
A
enkelvoudige zin: 1 pv
B
samengestelde zin, voegwoord 'leest'
C
samengestelde zin, 1 pv
D
samengestelde zin, voegwoord 'terwijl'

Slide 9 - Quizvraag

In een samengestelde zin staat het voegwoord altijd in het midden.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 10 - Quizvraag

Jorick heeft deze vraag goed, maar Bram klikt per ongeluk op het verkeerde antwoord.
A
enkelvoudige zin: 1 pv
B
samengestelde zin, voegwoord 'maar'
C
samengestelde zin, 1 pv
D
enkelvoudige zin, voegwoord 'maar'

Slide 11 - Quizvraag

Als je van deze twee enkelvoudige zinnen een samengestelde zin maakt, welk voegwoord ga je dan gebruiken?
Ik ga vanavond koken voor mijn moeder.
Zij is zo moe van het werken.
A
en
B
maar
C
omdat
D
want

Slide 12 - Quizvraag

Welk voegwoord gebruik je om van de volgende zinnen een samengestelde zin te maken?
Ik vind geschiedenis niet leuk. Ik haal wel hoge cijfers.
A
want
B
daarom
C
maar
D
terwijl

Slide 13 - Quizvraag

Aan de slag
klascode 2TA:872893
klascode BK2B:354680

Maken in de online-methode:
Cursus 5 paragraaf  3 Voegwoord herkennen
Opdracht 1 t/m 5


Slide 14 - Tekstslide

Aan de slag

Slide 15 - Tekstslide