Herhaling Unit 2

Herhaling Unit 2


  • IF-zinnen
  • Trappen van vergelijking
  • Betrekkelijke voornaamwoorden (who, whom, whose, which, that)
1 / 16
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 16 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Herhaling Unit 2


  • IF-zinnen
  • Trappen van vergelijking
  • Betrekkelijke voornaamwoorden (who, whom, whose, which, that)

Slide 1 - Tekstslide

IF-zinnen
  • Present simple (t.t.)? 
IF-zinnen
Staat de if zin in de present simple:

will + ww in de hoofdzin
Voorbeeld:
If you don't wear warm clothes, you will catch a cold.
Staat de if zin in de past simple:
would + ww in de hoofdzin
Voorbeeld: 
The baker would sell more bread, if he opened his shop on Sunday.

Slide 2 - Tekstslide

If you went to bed earlier, you ..... so tired
A
would not be
B
will not be
C
will be
D
would be

Slide 3 - Quizvraag

If you don't hurry, you .... the train
A
would miss
B
miss
C
will miss
D
missed

Slide 4 - Quizvraag

Trappen van vergelijking

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Your cooking is bad, but Danny's is ....
A
worser
B
badder
C
baddest
D
worse

Slide 10 - Quizvraag

Susan is the .... girl I know
A
nice
B
nicest
C
more nicer
D
most nicest

Slide 11 - Quizvraag

Betrekkelijke voornaamwoorden
(who, whom, whose, which, that)
Als je meer informatie geeft over eerdergenoemde personen, dieren, dingen of plaatsen.

1. Who/that gebruik je bij personen
2. Which/that gebruik je bij dieren, dingen en plaatsen
3. Whose gebruik je bij de vertaling 'van wie', 'waarvan' of 'wiens'
4. Whom/which gebruik je na een voorzetsel
waar de zin over gaat (geen komma gebruiken).
5. That gebruiken bij zinnen die niet tussen twee komma's staan (geen komma gebruiken).

Slide 12 - Tekstslide

Voorbeelden:
1. Who:
Jim scott, who works for the hotel, is an Australian
2. Whom:
Find someone with whom you feel comfortable.
2. Which:
The car, which is new, Belongs to Bob.
3. Whose:
I want a car whose roof can be removed.
4. That:
He told me about alligators which/that supposedly live in the sewers.

Meer voorbeelden op werkbladen.

Slide 13 - Tekstslide

Sally, ... is in my class, helped me out with my homework
A
which
B
whose
C
that
D
who

Slide 14 - Quizvraag

Could you bring me my wallet, ... is on my desk upstairs.
A
which
B
that
C
whose
D
who

Slide 15 - Quizvraag

Slide 16 - Tekstslide