Relative pronouns


Relative Pronouns
1 / 13
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 13 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les


Relative Pronouns

Slide 1 - Tekstslide

Learning Goals
After this lesson...

- you know what Relative Pronouns are.
- you know how to use the Relative Pronouns.

- You know how to use Which & What 

Slide 2 - Tekstslide

Relative Pronouns
'Relative Pronouns' gebruik je als je extra informatie wilt geven over iets of iemand met behulp van een bijzin.

Relative pronoun = betrekkelijke bijwoord

Slide 3 - Tekstslide

2 categories
Who / Which / That / Whose
-> Betrekkelijk

Which / What
-> Vragend

Slide 4 - Tekstslide

Relative Pronouns
'who' --> om te verwijzen naar mensen
'This is my best friend, who lives next door.'


'which' --> om te verwijzen naar dieren of dingen
'This is my bike, which is very old.'
'This is my dog, which is very friendly.'

Slide 5 - Tekstslide

Relative Pronouns
'that' --> kan je in plaats van 'who' of 'which' gebruiken, BEHALVE als de bijzin met een komma begint.
(onthoud: nooit 'that' na een komma)

'This is the friend that lives in Swansea.'
'This is the bike that is for sale.'

Slide 6 - Tekstslide

Verschil Who/Which and That
This is my best friend, who lives next door
-> "who lives next door" is hier een aparte zin
-> informatie is aanvullend, maar niet noodzakelijk

This is my best friend that lives next door
-> My best friend that lives next door = 1 onderwerp
-> informatie is noodzakelijk om te benoemen

Slide 7 - Tekstslide

Relative Pronouns
'whose' --> betekent 'van wie', 
                        gebruikt om aan te geven bij wie of wat iets hoort

'That's the friend, whose bike was stolen.'
'That's the bike, whose wheel disappeared.'


Slide 8 - Tekstslide

Relative Pronouns
Met bijzin
Who ->
Betrekkelijk voor personen 
Which -> Betrekkelijk voor dieren/dingen 
Whose -> 'Van wie' -> voor zowel personen als dieren/dingen

Zonder bijzin
That -> Te gebruiken voor zowel personen als dieren/dingen

Slide 9 - Tekstslide

Which/What
Vragende voornaamwoorden -> Verkrijgen van informatie


Wanneer welke?

Slide 10 - Tekstslide

Which/What
Look at the following examples:

I have a blue and a red shirt, which do you like better?
What is your favourite colour?
Which school subject is the most boring this period?
What time does the bus arrive?

Slide 11 - Tekstslide

Which/What

Which -> Beperkte keuzes

What -> Grote / onbeperkte keuze

Slide 12 - Tekstslide

Test your Knowledge!
Bekijk de opdracht op Teams en maak de linkjes


Slide 13 - Tekstslide