persoonlijk + bezittelijk voornaamwoord

Pak je leesboek
(Zet de timer aan en ga 7 minuten stil lezen)
timer
7:00
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsISK

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 11 min

Onderdelen in deze les

Pak je leesboek
(Zet de timer aan en ga 7 minuten stil lezen)
timer
7:00

Slide 1 - Tekstslide

persoonlijk + bezittelijk voornaamwoord
Ik heb een boek. Het boek is van mij

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Bezittelijk voornaamwoord 


Enkelvoud
Ik – mijn / m’n 
Jij – jouw / je 
Hij- zijn/ z’n 
Zij – haar / d’r
U - uw



Slide 4 - Tekstslide

Bezittelijk voornaamwoord

Meervoud
Wij – ons/onze *
Jullie - jullie
Zij - hun

*Ons – HET-woorden
   Onze – DE-woorden / meervoud


Slide 5 - Tekstslide

Video met extra uitleg

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Video

Ik help Tim. Ik help .....
A
mij
B
hij
C
hem

Slide 8 - Quizvraag

Kom jij morgen naar ons? Ja, ik kom morgen naar ....
A
wij
B
jullie
C
ons

Slide 9 - Quizvraag

Help jij je buurman? Ja, ik help...
A
haar
B
hij
C
hem

Slide 10 - Quizvraag

Tim koopt een boek voor.....
A
mij
B
ik
C
jij

Slide 11 - Quizvraag

Tim koopt een boek voor ons. Het boek is van.....
A
wij
B
ons
C
jullie

Slide 12 - Quizvraag

Docent Esther vertelt. De cursisten luisteren goed naar haar. "haar" is...
A
Docent Esther
B
de cursisten

Slide 13 - Quizvraag

Docent Jessica zegt tegen de cursist: Dit boek is van mij. "mij" is...
A
Docent Jessica
B
de cursist

Slide 14 - Quizvraag

Dit boek is van ....
A
ik
B
mij

Slide 15 - Quizvraag

- Kun jij ons helpen?
- Nee, helaas, ik kan .... niet helpen.
A
wij
B
ons
C
jullie

Slide 16 - Quizvraag

- Meneer, is dit boek van u?
- Ja, dat boek is van ....
A
hem
B
mij
C
u

Slide 17 - Quizvraag

Oefenen
  1. Ik heb een tafel, het is mijn tafel.
  2. Hij . . . . . . . . . . een vriend, het is . . . . . . . . . . vriend.
  3. Jullie . . . . . . . . . . een computer, het is . . . . . . . . . . computer.
  4. Ik . . . . . . . . . . een zus, het is . . . . . . . . . . zus.
  5. Wij . . . . . . . . . . een grote familie, het is . . . . . . . . . . familie.
  6. Wij . . . . . . . . . . een lokaal, het is . . . . . . . . . . lokaal.
  7. De leerlingen . . . . . . . . . . . een bal, het is . . . . . . . . . . . bal.
  8. Jij . . . . . . . . . . een broer, het is . . . . . . . . . . broer.
  9. Zij . . . . . . . . . . een kind, het is . . . . . . . . . .kind.

Slide 18 - Tekstslide

Nakijken
  1. Ik HEB een tafel, het is MIJN tafel.
  2. Hij heeft een vriend, het is zijn vriend.
  3. Jullie hebben een computer, het is jullie computer.
  4. Ik heb een zus, het is mijn zus.
  5. Wij hebben een grote familie, het is onze familie.
  6. Wij hebben een lokaal, het is ons lokaal.
  7. De leerlingen hebben een bal, het is hun bal.
  8. Jij hebt een broer, het is jouw broer.
  9. Zij heeft/ hebben een kind, het is haar/ hun kind.

Slide 19 - Tekstslide