Taal §2 Stijl 4 april

CURSUS 4: Taal   
paragraaf 1
Cursus 4: TAAL


  • Open alvast je boek op blz. 92.
  • Log alvast in op LessonUp

§2 Stijl
timer
1:30
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

CURSUS 4: Taal   
paragraaf 1
Cursus 4: TAAL


  • Open alvast je boek op blz. 92.
  • Log alvast in op LessonUp

§2 Stijl
timer
1:30

Slide 1 - Tekstslide

  • Je leert hoe stijlfiguren een tekst krachtiger maken.
  • Je leert de stijlfiguren opsomming, opsomming in drieën, drieslag, climax, overdrijving en tegenstelling herkennen en gebruiken.

Lesdoelen

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag:
Terugblik vorige les: Tweedetaalverwerving

  • Stijlfiguren begrippen (betekenis + voorbeelden)
  • Verwerkingsopdracht maken
  • Opdracht bespreken

Slide 3 - Tekstslide

Voor NT2'ers is het vrij gemakkelijk om het Nederlands te leren.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 4 - Quizvraag

Een tweede taal...
A
Is hetzelfde als een vreemde taal.
B
Is een taal die je af en toe spreekt.
C
is een taal die je net zo goed beheerst als je moedertaal
D
leer je op de middelbare school

Slide 5 - Quizvraag

  • Middelen om wat je wilt zeggen treffender of sterker uit te drukken.
     
  • Overdrijving = het overdrijven in een tekst om iets meer nadruk te geven
    ik verga van de honger, eeuwen wachten.
  • Opsomming (in drieën) = het opsommen van drie dingen in een tekst om iets meer nadruk te geven (drieslag).
    Bloed, zweet en tranen.
    Heerlijk, helder, Heineken.
Stijlfiguren

Slide 6 - Tekstslide

0

Slide 7 - Video

Met bloed zweet en tranen, zei ik, rot hier nu maar op.
Met bloed zweet en tranen,
Zei ik vrienden, dag vrienden, de koek is op.

Welke stijlfiguur herken je hier vooral?
A
herhaling
B
tegenstelling
C
opsomming

Slide 8 - Quizvraag

Wat is een voorbeeld van een drieslag?
A
fout, fout, fout
B
Eerst wandelde hij, toen ging hij over in een draf en uiteindelijk begon hij te sprinten.
C
Spreken is zilver, zwijgen is goud.
D
rust, reinheid, regelmaat

Slide 9 - Quizvraag

In welke zin staat een climax?
A
Fout, fout, fout
B
Eerst wandelde hij, toen ging hij over in een draf en uiteindelijk begon hij te sprinten.
C
Spreken is zilver, zwijgen is goud.
D
Rust, reinheid, regelmaat

Slide 10 - Quizvraag

Smaakmakers in je stijl
  • Beeldspraak: wat is het hier een zwijnenstal
  • Opsomming: overal liggen papiertjes, lege flesjes, verloren zakdoekjes en dit alles is bedekt onder een dikke laag stof.
  • Drieslag: het is vies, goor en smerig (boeren, burgers, buitenlui)
  • Climax: er liggen papiertjes, etensresten en rottende groente.
  • Overdrijving: hier wil je nog niet dood gevonden worden!
  • Tegenstelling: je kunt hier van de vloer eten! (van 's morgens vroeg tot 's avonds laat)

Slide 11 - Tekstslide

Maak de overdrijving af: zich dood...

Slide 12 - Open vraag

Maak de climax af: uren-dagen-maanden-,,,

Slide 13 - Open vraag

Uitleg opdracht stijlfiguren
In tweetallen:
  • Je krijgt twee kaartjes: 1: stijlfiguren 2: onderwerp
  • Overleg en maak samen een zin over het ow waarin je de stijlfiguur duidelijk toepast. Schrijf de zin op!
  • Gedaan? Controleer jullie stijlfiguur. Verbeter indien nodig.

Elk duo presenteert zijn zin, klas raadt welk stijlfiguur is toegepast!


Slide 14 - Tekstslide


Voorbeeld
Onderwerp: muziek
Stijlfiguur: Climax (een reeks die steeds sterker wordt)
Zin bedenken: hoe bouwt muziek op? (concert/lied)
 "De muziek begon zachtjes, werd luider en eindigde in een oorverdovende knal!"

Mijn oren explodeerden tijdens het concert van Metallica!
Stijlfiguur?






Slide 15 - Tekstslide

Wat?
In duo's zinnen bedenken met de kaartjes (ow + stijlfiguur)
Hoe?
Overleg hoe jullie de stijlfiguur kunnen toepassen op het onderwerp. 

Schrijf jullie zinnen op  (pen en papier, in je schrift)

Controleer of de stijlfiguur goed is toegepast en verbeter indien nodig.
Hulp
Voorbeelden op de kaartjes of lesboek (geen Chromebook!)
Klaar?
Vraag een extra kaartje met een nieuwe stijlfiguur of onderwerp, of bedenk zelf een nieuw onderwerp en maak nog een zin!
timer
10:00

Slide 16 - Tekstslide

  • Je weet wat stijlfiguren zijn.
  • Je kunt de stijlfiguren overdrijving en opsomming (in drieën) herkennen en gebruiken
Lesdoelen

Slide 17 - Tekstslide

Combineer de stijlfiguren met de juiste omschrijving. 
climax
drieslag
overdrijving
tegenstelling
Steeds sterker wordende reeks
Twee tegengestelde begrippen bij elkaar
Vaste opsomming van drie begrippen
Het groter, mooier of erger laten lijken van iets dan het in werkelijkheid is 

Slide 18 - Sleepvraag

Welk stijlfiguur heb je goed begrepen?
Herhaling
Tegenstelling
Opsomming
Opsomming in drieën
Drieslag
Climax

Slide 19 - Poll

Waarom gebruiken schrijvers stijlfiguren?

Slide 20 - Open vraag