Spelling 3.8

Spelling 3.8 les 1
Leg op tafel:
laptop
werkboek
pen
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Spelling 3.8 les 1
Leg op tafel:
laptop
werkboek
pen

Slide 1 - Tekstslide

Lesdoel
Je leert wat sterke werkwoorden zijn.
Je leert het meervoud schrijven.

Slide 2 - Tekstslide

Spelling werkwoord
Hij .................... iedere dag 10 kilometer
A
loopdt
B
lopt
C
loopt
D
loopd

Slide 3 - Quizvraag

Spelling werkwoord
Jij .................... je agenda.
A
pak
B
pakt
C
paKkt
D
pakd

Slide 4 - Quizvraag

Spelling werkwoord
Zij .................... haar haar elke dag.
A
was
B
wasst
C
wasd
D
wast

Slide 5 - Quizvraag

Spelling werkwoord
Wij .................... een nieuwe broek.
A
kopen
B
koppen
C
koopt
D
koopen

Slide 6 - Quizvraag

Sterke werkwoorden in de vt
Sterke werkwoorden veranderen van klank in de verleden tijd.


Slide 7 - Tekstslide

Bijvoorbeeld:
zwemmen - zwommen
lopen - liepen
komen - kwamen

Slide 8 - Tekstslide

Even oefenen

Slide 9 - Tekstslide

Ik fluit op de blokfluit.
Ik ........... op de blokfluit.

Slide 10 - Open vraag

Wij zwemmen elke woensdag.
Wij ........... elke woensdag.

Slide 11 - Open vraag

Mijn opa komt elke zondag.
Mijn opa .............. elke zondag.

Slide 12 - Open vraag

Hij snijdt in zijn vinger.
Hij ........... in zijn vinger.

Slide 13 - Open vraag

Maken 3.8
Opdracht 1 t/m 7
Fleur: opdracht 1 t/m 6

Slide 14 - Tekstslide

Spelling 3.8 les 2
Leg op tafel:
laptop
werkboek
pen

Slide 15 - Tekstslide

Lesdoel checken
Je leert wat sterke werkwoorden zijn.

Slide 16 - Tekstslide

Ik vind sterke werkwoorden
makkelijk
moeilijk

Slide 17 - Poll

Spelling 3.8 les 2
Leg op tafel:
laptop
werkboek
pen

Slide 18 - Tekstslide

Lesdoel
Je leert wat sterke werkwoorden zijn.
Je leert het meervoud schrijven.

Slide 19 - Tekstslide

Wat zijn sterke werkwoorden

Slide 20 - Woordweb

Herhalen

Slide 21 - Tekstslide

Ik zit op een bankje.
Ik ...... op een bankje.

Slide 22 - Open vraag

Gaan we naar school?
....... we naar school?

Slide 23 - Open vraag

Het vliegtuig vliegt hoog in de lucht.
Het vliegtuig........ hoog in de lucht.

Slide 24 - Open vraag

Meervoud
Een zelfstandig naamwoord is een woord voor een mens, dier, plant of ding. Bijna alle zelfstandig naamwoorden kun je in het meervoud zetten.
de leerling - de leerlingen
het boek - de boeken

Slide 25 - Tekstslide

Let op je spelling!

de kat - de katten
de muur - de muren
de neus - neuzen

Slide 26 - Tekstslide

Even oefenen
Zet in het meervoud.
Vergeet niet het lidwoord (de)

Slide 27 - Tekstslide

het avontuur

Slide 28 - Open vraag

de brief

Slide 29 - Open vraag

het glas

Slide 30 - Open vraag

Maken:
3.8 opdracht 8 t/m 12
Klaar: testjezelf 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8

Fleur: 3.8 opdracht 7 t/m 14
Klaar: testjezelf 3.3, 3.5, 3.7 en 3.8

Slide 31 - Tekstslide

Lesdoel checken
Je leert wat sterke werkwoorden zijn.
Je leert het meervoud schrijven.

Slide 32 - Tekstslide

Goed of fout:
Ik flootte op het fluitje.
goed
fout

Slide 33 - Poll

Goed of fout:
Ik zwemde in het zwembad.
goed
fout

Slide 34 - Poll

Goed of fout:
De luchtballon steeg op.
goed
fout

Slide 35 - Poll

Goed of fout:
de maan - de maanen
goed
fout

Slide 36 - Poll

Goed of fout:
de ballon - de ballonnen
goed
fout

Slide 37 - Poll

Goed of fout:
het graf - de graffen
goed
fout

Slide 38 - Poll